is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FILISTIJNEN

175

dreven en misschien ook met de Palestijnsche kust, zich reeds vroeg van de omstreken van Gerar heeft meester gemaakt. Versterkt door telkens nieuwere immigranten gelukte het hun de Avvieten en Refaïeten geheel in zich op te smelten, waarbij ze echter tevens den invloed van hun Semitische omgeving ondergingen. In verband met de steeds krachtiger wordende beweging der stamverwante „zeevolken" begonnen ze, door nieuwe afdeelingen versterkt, een poging te doen om zich van de geheele Palestijnsche kust meester te maken. Maar Ramses lil trok tegen hen op en dwong hen tot vernieuwde onderwerping aan Egypte. Er blijven echter nog veel duistere punten in de geschiedenis der wording van het Filistijnsche volk.

De eerste tijden van hun optreden in Palestina liggen in het duister. Zelfs weten we niet öf en in hoeverre de Filistijnen deel hebben genomen aan den strijd, dien de Israëlieten onder Jozua met de Kanaanieten hadden te voeren. Blijkens Richt. 1 : 18 heeft Juda voor een korten tijd de Palestijnsche steden Gaza, Askalon en Ekron in bezit gehad. Maar weldra traden de Filistijnen aanvallend op en trachten ze zich van de Sjëfëlé en van de Saronvlakte meester te maken. Vandaar hun aanvallen in het dal van Sorekenhun bondgenootschap met de Amonnieten (Richt. 10 : 6v.). Dit is „de periode der Filistijnen" (Richt. 15 : 20), waarin Simson optreedt. In de dagen van Eli sluiten de Amorieten zich bij hen aan. Uit Richt. 15 blijkt, dat het grootste deel der Judeërs de Filistijnsche overheersching geduldig verdroeg en dat velen iederen tegenstand afkeurden. In de nadagen van Eli trekken ze door de Wadi Kana het land binnen en verslaan Israël, waarna Silo wordt verwoest (vgl. Jer. 7 : 12—14; 26 : 6). Dan beheerschen ze geheel West-Jordaanland. Maar onder Samuël komt de de reactie en straks planten Saul en Jonathan de vaan van den opstand (1 Sam. 13). Een langdurige strijd is hiervan het gevolg, waar net krijgsgeluk wel niet altijd aan de zijde der Filistijnen is (1 Sam. 14 : 17; 23 : 5), maar waarbij toch voorloopig het laatste woord aan hen is. Saul vindt den dood op den Gilboa en geheel West-Jordaanland wordt weer geknecht (1 Sam. 31). David en Isboset zijn slechts koning bij de gratie der Filistijnen. Maar straks wordt David koning over Israël en treedt de worsteling tusschen de Filistijnen en Israël een nieuwe fase in. Ditmaal is de overwinning aan Israël, zoodat David hun zelfs „den handelsweg van het Westland" — dit schijnt de raadselachtige uitdrukking van 2 Sam. 8:1 méteg ha-ammatl inderdaad te beteekenen — ontneemt. Maar dat David hun tot het brengen van tribuut heeft gedwongen, [ wordt niet gezegd. De wederzijdsche verhouding j was goed, gelijk het opnemen van vele Filistijnen | in Davids leger bewijst. Dat duurt voort onder : Salomo, die intusschen door de vestingen Baalath | en Gezar de Wadi's es-Sant es-Sardr afsluit i (1 Kon. 9 : 17 v.) en Gath bij zijn rijk voegt (2 Kron. 11 : 5—8). In hoeverre de Filistijnen bij den Palestijnschen tocht van Sjisjak (1 Kon. 14 : 25) betrokken zijn geweest, weten we niet. Na de splitsing van Israëls rijk treden ze weer aanvallend op. Ze trachten zich van de tóegangen

tot het Efraïmitische hoogland meester maken en bezetten Gibbethon (1 Kon. 15 : 27; 16:15), Eerst Jozafat van Juda gelukt het hen weer schatplichtig te maken (2 Kron. 17 : li). Maar in Jorams dagen trekken ze naar Jeruzalem, van waar ze met rijken buit huiswaarts keeren (2 Kron. 21 : 16 v.). Hierop slaat waarschijnlijk Joël 4 : 4—8 en Am. 1 : 6. Ook Gath kon worden bevrijd, dat echter in de dagen van Joas van Juda in de handen van Hazaël van Damascus valt (2 Kon. 12 : 17). Uzzia breekt de muren van Gath, Jabne en Asdod af en bouwt steden in het gebied van Asdod (2 Kron. 26 : 6). In de dagen van Achaz echter worden de rollen weer omgekeerd en bezetten de Filistijnen verschillende steden in de Sjëfëla en het Zuiderland (2 Kron. 28 : 18).

Waarschijnlijk maken deze krijgsbedrijven deel uit van den strijd van Damascus en Efraïm tegen Juda, waaraan Tiglath-Pileser IV van Assyrië een einde maakt. Reeds in 738 hebben Mitinti van Askalon en Hanno van Gaza hun tribuut opgebracht. In 734 vallen ze af. Maar Hanno wordt eerst tot de vlucht en daarna tot onderwerping gedwongen en Mitinti's zoon Ruhibtu wordt genoodzaakt 15 plaatsen van zijn gebied aan een zekere Idibi'il af te staan. Sindsdien zoeken de Filistijnen steun bij Egypte. In 720 vinden we Hanno van Gaza in bondgenootschap met den Egyptischen generaal Sib'u. Hij wordt bij Rafia verslagen en met 9033 Filistijnen naar Assyrië weggevoerd. Misschien valt in dezen tijd Hizkia's krijgsbedrijf tegen de Filistijnen, waarvan 2 Kon. 18 : 8 spreekt. Dat geschiedde dan in samenwerking met Sargons leger. In 710 bieden de Filistijnen opnieuw verzet. Eerst wordt op Sargons bevel Azuri, koning van Asdod, die de leiding had, vervangen door zijn broeder Achimeti. Maar deze wordt door de Egyptische partij uit Asdod verdreven en vervangen door een zekeren Jamani, „die op den troon geen aanspraak had". Bij de nadering van Sargons lijfgarde (Jes. 20:1), verslaat Jamani Asdod, zoodat deze stad en haar bondgenooten Gath en Asdudimmu (de havenstad van Asdod ?) gemakkelijk konden worden ingenomen. Jamani wordt door den Farao uitgeleverd en naar Assyrië gevoerd. In 705 vinden we ook de Filistijnen bij de groote coalitie, die onder leiding van Merodach Baladan (vlg. 2 Kon. 20 : 12) tegen Sanherib wordt gevormd. Ekron schijnt daarbij de hegemonie te hebben. Maar in 701 trekt Sanherib het land binnen. Mitinti van Asdod zendt onmiddellijk tribuut; Sidka van Askalon wordt na den val van zijn stad met zijn geheele huis naar Assyrië gezonden en vervangen door „Sarhedari, den zoon van Ruhibtu, hun vroegeren koning", die misschien in 705 was ter zijde geschoven. Terwijl Ekron wordt belegerd, naderen „de koningen van Egypte" (de delta-vorsten?) met een leger, maar worden bij Eltekë verslagen. Straks valt Ekron, dat zijn door Hizkia in Jeruzalem gévangen gezetten koning Padi weer moet terugnemen. Gaza heeft blijkbaar aan deze coalitie geen deel genomen. Sindsdien blijven de Filistijnen Assyrië trouw. Esarhaddon noemt onder zijn vazallen Silbel van Gaza, Mitinti van Askalon, Ikacasu (Achis) van Ekron en Achimilki van Asdod. Dezelfde