is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FLAVIA DOMITILLA

geestes"; en in Openb. 16 : 3, waar staat:„alle ziel is gestorven in de zee."

De eerste uitgave is verschenen in 1893 bij de Flakkeesche Boekdrukkerij te Middelhar nis. [11.

Flavia Domitilla was een kleindochter van keizer Vespasianus en dus een prinses uit het huis der Flaviers. Zij huwde met den consul F. T. Flavius Clemens, die onder Domitianus werd ter dood gebracht, volgens sommigen, omdat hij tot het Jodendom, volgens anderen, omdat hij tot het Christendom was overgegaan. Flavia Domitilla zelf was Christin en werd daarom verbannen naar het eiland Pontia. Haar naam is verbonden aan één van de oudste zoo niet aan de oudste catacombe te Rome, gelegen

Catacombe pan Flavia Domitilla.

aan den Ardeatijnschen weg. De ingang van deze catacombe ligt tegen een heuvel en werd 1864/65 ontgraven. De Flaviers bezaten in die omgeving een stuk grond en daaronder werd een begraafplaats aangelegd. Aanvankelijk bestond deze uit een breede gang met nissen voor sarcofagen. Schoon schilderwerk werd aangebracht en de ingang werd uitgebouwd tot een huis met zaal, put enz. Later is deze catacombe van Domitilla vergroot tot een gemeentebegraafplaats en kreeg ze een net van gangen en kamers. Vermeld dient nog, dat dicht bij den ingang een graf is aangelegd gelijkend op het graf van ■Christus. [ 17.

Flavins Josefus, de bekende Joodsche geschiedschrijver, werd geboren te Jeruzalem, tusschen September 37 en Maart 38 n. Chr., in het eerste jaar van keizer Caligula. Zijn vader was Matthias, afkomstig uit een aanzienlijk [ priester-geslacht.

Josef — zoo was oorspronkelijk zijn naam — genoot een rabbinistische opvoeding, en muntte reeds op 14-jarigen leeftijd uit door zijn kennis van de wet. Hij doorliep na zijn 16de jaar de scholen der Farizeërs en der Sadduceërs, en was ook drie jaren bij een kluizenaar Banus geheeten, wiens invloed en onderricht hij zeer hoog schatte.

Op 19-jarigen leeftijd sloot Josefus zich aan bij de Farizeërs.

In 64 n. Chr., 26 jaar oud, reisde hij naar Rome, om vrijlating van eenige door de Romeinen gevangen genomen priesters te bewerken. Door

— FLAVIUS JOSEFUS 181

den invloed van de keizerin, Poppaea, wier gunst hij wist te verwerven, wist hij zijn doel te bereiken.

Toen in 66 de Joodsche oorlog uitbrak, behoorde Josefus aanvankelijk tot degenen, die het verzet tegen de Romeinen afraadden. Doch later sloot hij zich bij den opstand aan, en behoorde zelfs tot de leiders; hem werd een bevelhebberschap in Galilea toevertrouwd. Na den val der vesting Jotapata, in 67, werd hij gevangen genomen; voor Vespasianus geleid, voorspelde hij dezen de keizerskroon; Vespasianus behandelde hem met onderscheiding en schonk, in 69 keizer geworden, aan Josefus de vrijheid. Sedert nam deze den familie-naam van Vespasianus aan, en noemde zich Flavius Josefus.

Tijdens het beleg van Jeruzalem werd hij telkens uitgenoodigd, aandrang op de Joden uit te oefenen, dat zij de stad zouden overgeven.

Toen Jeruzalem gevallen was en Flavius Josefus vergunning kreeg te vragen, wat hij wenschte, verzocht hij slechts om enkele „heilige boeken", Wetsrollen enz., en om de vrijlating van gevangen Joden, onder meer van zijn broeders.

Na het eind van den Joodschen oorlog vertrok hij met Titus naar Rome, woonde in het paleis van Vespasianus die hem het Romeinsche burgerrecht verleende, een jaargeld schonk, benevens een stuk land. Ook bij de latere keizers Titus (79—81) en Domitianus (81—96) stond hij zeer in de gunst.

Hij leefde tot na het jaar 110.

Vooral door zijn geschriften is Flavius Josefus bekend. Over den Joodschen oorlog, een werk in 7 boeken, waarin de geschiedenis van het Joodsche volk wordt beschreven van Antiochus Epifanes, 175—164 v. Chr., tot den val van Jeruzalem.

Het werk, oorspronkelijk in het Arameesch geschreven, werd later met de hulp van Grieksche medewerkers in het Grieksch overgebracht.

Josefus beschrijft hierin ten deele wat hij uit eigen aanschouwing kende en mede had beleefd.

Het werk, dat de instemming had van Agrippa II, werd gepubliceerd op last van Titus, en aan Vespasianus in handen gesteld. Het is in 77 a 78 geschreven.

Joodsche oudheden, een werk in 20 boeken, dat gedeeltelijk uit de Heilige Schrift geput, in de eerste 10 boeken de geschiedenis verhaalt tot de Babylonische ballingschap, en waarvan de laatste 10 boeken de geschiedenis der Joden bevatten tot den dood van Herodes den Groote. Met tusschenpoozen werd het werk voltooid, in 93 of 94.

Ook in dit werk, dat niet altijd op juiste gegevens berust en niet overal blijk geeft, dat de schrijver goed op de hoogte was, is de klaarblijkelijke bedoeling van Flavius Josefus, de Grieksch-Romeinsche wereld bekend te maken met de historie der Joden, die hij in een zoo gunstig mogelijk licht trachtte te stellen.

Levensbeschrijving, waarin Flavius Josefus zijn eigen leven teekent, voornamelijk zijn bevelvoering in Galilea, in 66—67. Dit werk, na 100 geschreven, bedoelde een tegenwicht te zijn tegen de voorstellingen van den geschiedschrij-