is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

234

GEBHARD VAN KEULEN — GEBODEN

uit kalk, leem en zand. De sterk kronkelende Jordaan heeft hare rotsachtige bedding van 10 tot 15 Meter lager dan de omliggende vlakte; zij is gemiddeld 30 Meter breed en tot 4 Meter diep en noch voor scheepvaart, noch voor besproeiing geschikt. Vooral het Zuidelijke deel der vlakte is in den zomer een zandwoestijn; hier heeft men temperaturen van 43° C. waargenomen. Overigens is de geheele Jordaanslenk bizonder heet, zoodat de plantengroei er veelzins tropisch is. Naast eiken (quercus), dennen (pinus), johannisbroodboom (ceratonia siliqua), mastixstruik (pistacia lentiscus) groeit hier de papyrusplant (cyperus papyrus), de dadelpalm (phoenix dactylifera), de sodomsappelstruik (calotropis procera), de jordaantamarisk (tamarix jordanis), de seyalacacia of si tti m houtboo m (acacia seyal), maar niet de roos van Jericho of de opstandingsbloem (anastatica hierochuntia) die eerst ten Zuiden van de Doode zee voorkomt. Daarentegen groeit bij Jericho wel een kleinere plant, die tot de compositae behoort en ongeveer hetzelfde verschijnsel vertoont, dat namelijk het omhulsel der rijpe zaden zich bij uitdrogen sluit en bij bevochtigen opent; zij draagt den wetenschappelijken naam van odontospermum pygmaeum.

Waar bergen zijn, zijn ook dalen. De meeste dalen in Palestina zijn klein; vele zijn niets anders dan wadi's, dat zijn rivierbeddingen die alleen in den winter water bevatten. Vele dalen worden in den Bijbel genoemd, meestal in verband met merkwaardige gebeurtenissen; zoo b.v. dal Eskol ten Noord-Westen van Hebron (Num. 12), Zoutdal ten Oosten van Berseba (2 Sam. 8; 2 Kon. 14), Kedrondal of Kidrondal tusschen Jeruzalem en den Olijfberg (2 Kon. 23), dal Hinnom ten Zuiden van Jeruzalem (Joz. 15), dal Refaïm of dal der Refaïten ten Zuid-Westen van het vorige (Joz. 15; Jes. 17), Eikendal of Terebintendal (Wadi es-Sant) ten Noord-Westen van Hebron en 33 Kilometer ten Zuid-Westen van Jeruzalem (1 Sam. 17), dal Ajalon (Wadi el-Kotneh) bij het hedendaagsche dorp Yalo, midden tusschen Jeruzalem en Er-Ramleh (Joz. 10), dal Achor (Wadi Fara) ten Westen van Jericho (Joz. 7 en 15), dal Siddim ofSittim, het Zuidelijke slechts van 2 tot 6 Meter diepe stuk der Doode zee (Gen. 14), dal Jiftah-El (Sahel el-Battof) of dal van Zebulon ten Westen van Tiberias in het Galileesche bergland, welks zeer vruchtbare bodem uit verweerd bazalt bestaat (Joz. 19). [ 31.

Gebbard van Keulen, geboren 1547, op 16-jarigen leeftijd reeds domheer te Augsburg, 1574 domdeken te Straatsburg, 1577 aartsbisschop te Keulen. Door zijn sympathie voor de gravin Agnes van Mansfeld en door Calvinistischgezinde vrienden liet hij zich bewegen om met den Roomsch-Catholieken godsdienst te breken. Hij trad in het huwelijk en stond in zijn bisdom geloofsvrijheid toe. Een brève van den paus, waarin hij tot verantwoording geroepen werd, beantwoordde hij met den raad aan den heiligen vader, om de Roomsche kerk te reformeeren. Zijn sympathie voor het Calvinisme deed hem den steun der Luthersche keurvorsten verliezen. Deze verzuimden van de gunstige gelegenheid

gebruik te maken, om het belangrijke gebied van den aartsbisschop voor de Reformatie te winnen. Nu trad Rome handelend op. Gebhard werd door Gregorius XIII geëxcommuniceerd en uit zijn waardigheid ontzet. Zijn onderdanen werden van hun eed vrij verklaard. Prins Ernst van Beieren volgde hem op. Wel trachtte Gebhard met geweld van wapenen zijn plaats te herwinnen, maar dat was tevergeefs. Hij trok zich in Straatsburg terug en stierf daar 1601. [ 24.

Gebïm, d. w. z. regenbakken, een plaats aan den weg, die van het Noorden naar Jeruzalem leidde (Jes. 10 : 31). Zij moet in de onmiddellijke nabijheid van Jeruzalem gelegen hebben. Eusebius verwart haar met de Levietenstad Geba in Benjamin. [ 24.

Gebit, (Ps. 32 : 9) een toom, dien men voornamelijk den snellen muildieren aanlegt (2 Kon.

19 : 28; vgl. Jes. 37 : 29), waaraan men vooral bij onhandelbare dieren, ook buffels en drommedarissen, nog een neusring voegde, aan welken de toom bevestigd was. In de aangehaalde plaatsen is gebit, toom, het beeld van een hard dwangmiddel, hetwelk de Heere gebruikt, om weêrspannige menschen te buigen.

Gebod. In 't algemeen een wilsuiting van iemand die souverein is op een bepaald gebied, of in een kring; vader en moeder in het gezin, een kapitein op een schip, een werkgever in den arbeid, de overheid in een land. Maar alle dezen hebben een betrekkelijke, afgeleide souvereiniteit, en hun gebod heeft geen absolute beteekenis. Dit kan alleen gezegd worden van het gebod Gods, dat over ons gansche leven gaat, en al onze krachten opeischt. Het gebod Gods is de wet voor ons leven, want buiten den weg van die ordinantie Gods is de dood. Wij zijn echter onbekwaam om dit gebod te volbrengen, en kunnen alleen door de genade der wedergeboorte en de inlijving in Christus weer tot dezen wandel der liefde worden bekwaamd.

Er zijn ook in de Schrift geboden te vinden die een privaat karakter droegen, bijv. de geloofsbeproeving van Abraham in het bevel om zijn zoon Izaak op te offeren. De Wet des Heeren (Exodus 20; Deut. 5) is samen te vatten in het liefhebben van God bovenal en het liefhebben van onzen naaste als ons zelve. „Aan deze twee geboden hangt de gansche Wet en de profeten" (Matth. 22 : 40). [ 28.

Geboden (Tien). De Tien geboden heeft God door Mozes aan Israël gegeven. Wij vinden ze opgeteekend in Ex. 20 : 3—17 en in Deut. 5 : 7—21, echter met dit verschil, dat ze in Ex.

20 letterlijk en woordelijk, zooals Mozes ze van 's Heeren wege tot Israël bracht, maar dat ze in Deut. 5 meer vrij staan opgeteekend, zooals Mozes ze aan het einde der woestijnreis, voordat Israël Kanaan binnentrad, nog eens in herinnering bracht. Het eerste, tweede, derde, zesde en negende gebod wordt bijna woordelijk, maar het vierde, vijfde, zevende en tiende gebod meer vrij en gewijzigd weergegeven. Toch is de Wet der Tien geboden geen ceremoniëele of schaduwachtige, maar een moreele of zedelijke wet. Ze gold niet het godsdienstig, maar het zedelijk leven van Israël en was niet van tijdelijk karakter voor Israël alleen, maar van duurzame beteekenis