is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

236

GEBOUW — GEDACHTENIS

In ons land zijn er velen, ook onder de Christenen (men vindt deze vooral in het Noorden des lands), die schier geen acht slaan op hun verjaardag. Dat is niet te prijzen. God wil erkend worden om zijn weldaden.

Gebouw, bouwen. I. De kerk van Christus wordt meermalen onder het treffend beeld van een vast gefundeerd en goed verbonden gebouw voorgesteld (Ef. 2 : 19—22; 1 Cor. 3:9; Matth. 16 : 18). Zij moet meer en meer opwassen tot een heiligen tempel in den Heere en in haar moet ieder in het bijzonder een woning en werkplaats van den geest van Christus in het klein vormen (1 Cor. 3 : 16). Bij iederen bouw moet eerst een goede grond gelegd, dan alle bijzondere deelen op dat fundament aangebracht en hierop tot vorming van een geheel vereenigd en goed verbonden worden. De eenige levensgrond van de kerk van Christus is haar Heer en Hoofd, als de rots en hoeksteen, waarop zij is gebouwd, buiten welken niemand een ander fundament leggen kan (1 Cor. 3 : 11). Voorzooverre zijn werk door de profeten voorbereid en door de apostelen voortgezet en uitgebreid wordt, zegt Paulus: „gij zijt gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de hoeksteen" is (Ef. 2 : 20). Het bouwen geschiedt door voortdurend prediken en aannemen van de geopenbaarde heils- en verlossingsdaden, door aanbieding en toeëigening van de hemelsche heilgoederen. De bijzondere leden moeten als levende steenen in dezen bouw worden ingevoegd, zoodat geen macht hen hieruit kan losrukken, en zoo moeten zij tot de eenheid van een geestelijk huis zich verbinden. „Bouwt u zeiven op tot een geestelijk huis en tot een heilig priesterdom!" (1 Petr. 2:5). _ H. Het gebouw of het huis van God gebouwd of gemaakt (2 Cor. 5 : 1) is geen afzonderlijk hemelsch lichaam, dat de ziel van een geloovige na den dood ontvangt, maar het woord „gebouw" ziet hier in 't algemeen op de hemelsche heerlijkheid, welke de ziel van den geloovige aanstonds na den dood geniet.

Gebrek. Het gemis van wat men noodwendig hebben moet. Gebrek aan brood met den hieruit ontstaanden hongersnood behoort onder de meest zware strafgerichten Gods. Dan komt het tot nooit gehoorde angsten en worden de laagste hartstochten ontketend, gelijk in Samaria (2 Kon. 6 : 24 v.v.), en bij de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen. Gewoonlijk grijpt God naar deze tuchtroede, wanneer trots alle waarschuwingen en trekkingen, de maat der zonde en ongerechtigheid vol wordt gemaakt (vgl. Amos 4 : 6; 2 Sam. 3 : 29; Spr. 6:11; Deut. 28 : 51 v.v.). De belofte: „die den Heere vreezen hebben geen gebrek" (Ps. 34 : 10, 11; vgl. Sir. 6 : 11) wordt ook in zulke buitengewone omstandigheden bewaarheid (vgl. Luc. 22 : 45; Hand. 4 : 34; Exod. 16 : 18; 2 Cor. 8:15; Matth. 6 : 26, 33; Deut. 2:7; Spr. 28 : 27; Neh. 9 : 21; Ps. 23; Richt. 19 : 20). Al gaat het door menigen zwaren nood, toch komen zij met de overigen niet om, de genade verzoet hun lijdenskelk, en, voordat zij hebben uitgeweend, verschijnt God wonderbaar tot hun hulp. „Gij hebt geens dings gebrek", zegt

Paulus aan de Christenen van Corinthe (1 Cor. 1 : 7), hij herinnert hun hiermede aan de gaven des Heiligen Geestes, die in volheid over hen waren uitgestort (1 Cor. 12—14). — Door het Christendom moeten de groote tegenstellingen van rijkdom en armoede zooveel mogelijk worden verzoend (2 Cor. 8 : 14vv.; Jac.2:15; vgl. Deut. 15:8; Spr. 28 : 27). Het waarachtig Christendom lenigt sociale nooden.

Gebreken zijn gevolgen van storingen in het organisme van den meqsch. Er zijn storingen in het menschelijk lichaam (lichaamsgebreken) bijv. blindheid, lamheid, te korte of bovenmate lange ledematen, gemis van neus of oor, een gebrek aan hand of voet, een bult, huiduitslag enz. Deze sloten, evenals bij andere volkeren in den ouden tijd, van den priesterdienst uit, om dezelfde redenen, waarom ook alleen dieren zonder gebreken mochten geofferd worden. Het offer zoowel als hij die offert moesten, als voorbeeld desgenen, die beide in één persoon is, onberispelijk zijn (Hebr. 7 :' 26).

Er zijn ook karaktergebreken. Tegen deze moet een Christen strijden. Wij moeten de gebreken der zwakken dragen en wij moeten ook geduld hebben met de gebreken van allen, die God over ons stelde (ouders, overheden).

Gedachte is een product van het denken, een synthese van psychische kenacten tot een eenheid. Logisch is een gedachte een oordee). De gedachte is niet los te maken van het subject, maar immanent aan den kennenden geest. Wordt de gedachte in woorden uitgedrukt, dan krijgt ze zoo te zeggen een objectief bestaan buiten den persoon die ze voortbracht. Een ander kan ze zich toeëigenen en in zich opnemen.

Omdat de Heilige Schrift van God op menschelijke wijze spreekt, kent zij aan het Goddelijk wézen gedachten toe. De gedachten Gods zijn van onze gedachten wezenlijk onderscheiden. Gods gedachten zijn geheel oorspronkelijk, zóó groot, dai wij ze niet met ons denken kunnen vatten, zeer diep en zeer hoog, machtig vele in getal; ze bestaan tot in eeuwigheid en zijn kostelijk voor zijn gunstgenooten. [ 14.

Gedachtenis, zichtbare, d.i. een herinneringsteeken. Aldus wordt (Exod. 13:9) het eten van het Paaschlam genoemd. Het volk moest daarbij dankbaar gedenken aan de bevrijding uit de slavernij van Egypte en aan de bewaring der eerstgeborenen, en hierdoor zich laten aansporen tot trouw aan het verbond en tot kinderlijke gehoorzaamheid aan God. Ook geboden worden een gedachtenis voor oogen genoemd (Deut. 6 : 8; 11 : 18). Tot gedachtenis aan een verbond of een belofte komen hier en daar steenen gedenkteekenen voor, die als stomme getuigen werden opgericht, b.v. (Gen. 31 :35 vv.) de steenhoop van Laban en Jacob, het altaar aan de overzijde der Jordaan (joz. 22). Het volk Israël moest 12 steenen ter gedachtenis oprichten, „tot een eeuwig gedenkteeken", van den overgang over de Jordaan; Jozua bouwde 12 steenen als gedenkteeken midden in de Jordaan (Joz. 4 : 2 vv.). Absalom richtte, omdat hij geen zoon had, zichzelven op des konings grond een gedenkteeken op (ter gedachtenis aan zijn naam) (2 Sam. 18 : 18).