is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GELOOFSSTUK —

eenzaamheid terugtrekken en de wereld overlaten aan haar lot. Zij zijn geen intellectualisten en geen moralisten, die aan het rijke gemoedsleven tekort doen. In weerwil van velerlei onderscheid in aanleg en karakter, zijn zij allen tezamen toch diep-religieuze naturen, en hebben desniettemin of liever juist daarom een open oog voor al de belangen van het huiselijk en maatschappelijk, het burgerlijk en staatkundig leven. Alle onnatuurlijke ziekelijke vroomheid is hun vreemd. Hun geloofsleven is kerngezond, helder en klaar en toch innig en diep" (Zekerheid des geloofs, 2e dr., bl. 43, 4).

Hier wordt tevens in hoofdtrekken aangegeven in welke omstandigheden, door welke oorzaken het geloofsleven eenzijdigheden, dwalingen, afwijkingen, gebrekkigheden vertoonen kan; voorts kan het door twijfel en twijfelmoedigheden kwijnen (Ps. 73 : 16; Jac. 1 : 6 enz.).

Is het geloof sterk dan zal ook het leven des geloofs waarlijk leven zijn en zich openbaren in woord en daad: in het woord: „Laat mijn ziel leven en zij zal u loven" (Ps. 119 : 175);

in de daad: „Ik heb geloofd Wat zal ik den

Heere vergelden voor al zijn weldaden, mij bewezen ?.... Ik zal mijn geloften den Heere betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk" (Ps. 116 : JO, 12, 18). [ 41.

Geloofsstuk. Onder het woord geloofsstuk verstaan wij al datgene, op het gebied van religie en theologie, wat niet „bewezen" kan worden maar in den geloove moet worden aangenomen. Wel beschouwd is héél de inhoud van religie en theologie beide één machtig „geloofsstuk" ; immers reeds het bestaan van God, de grondslag aller ware religie, kan niet „bewezen" worden. Evenzeer héél de inhoud des Bijbels. Maar we zijn toch gewoon het gebruik van de uitdrukking „geloofsstuk" te beperken tot die op den voorgrond tredende waarheden die geweldig zijn, van beslissende beteekenis, van ontzaglijk gevolg, en die we aanvaarden enkel en alleen omdat Gods Woord ze ons leert en wij ze dus gelooven; een gelooven waartoe ook Gods Woord zelf opwekt, denk bijv. aan Jezus' bekende uitspraak tot Thomas: „Zalig zijn zij die niet zullen gezien en nochtans zullen geloofd hebben" (Joh. 20 : 29). Dit geloof brengt zijn eigen zekerheid mee: het is „een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet" (Hebr. 11:1; vertaling Grosheide: „nu is geloof een vast vertrouwen in hetgeen men hoopt, een bewijs van dingen die men niet ziet"; vgl. ook Dr. A. Kuyper, Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid dl. II, afd. I, hoofdst. II § 11). Omdat we het voorwerp des geloofs niet zien, is evenwel dit geloof tevens „een voortdurende strijd. Zonden van het hart en dwalingen van het hoofd verzetten zich Er blijft een dualisme in den

geloovige Het geloof behoudt een min of

meer supranatureel karakter Het geloof is

juist geloof, wijl het iets ziet, wat de psychische mensch niet waarneemt. Maar dit dualisme, hoe pijnlijk ook, dient toch ter andere zijde ter bevestiging van het geloof. Want als het geloof niet opkomt uit de hebbelijkheden van den mensch, en noch een conclusie van een syllo-

GELOOFSVERMOGEN 261

gisme is noch een besluit van den wil; dan is zijn aanwezigheid tevens een bewijs voor zijn waarheid" (Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek2, I, 638).

Grond van dit geloof, dat ons de geloofsstukken doet aanvaarden, is de goddelijkheid der waarheid, het gezag der Heilige Schrift (materieel naar heur inhoud, formeel naar heur zelfgetuigenis omtrent zich-zelve), met het getuigenis des Heiligen Geestes als bewegende oorzaak voor dit geloof. [ 41.

Geloofsvermogen. Uit de oude filosofie is door onze vaderen overgenomen de onderscheiding, die ook zeer zuiver en gewettigd is, tusschen actus en habitus; toegepast op het geloof: tusschen actus en habitus fidei; tusschen het geloof als daad en het geloof als vermogen, als hebbelijkheid (gelijk ook, op allerlei ander gebied, we onderscheid maken tusschen daad en vermogen, bijv. een klein kind spreekt nog niet daadwerkelijk, maar wordt wel geboren met het spraak-, het gezichtsvermogen, enz.).

Op dit geloof als vermogen duidt de Catechismus in antw. 20 als hij zegt: „neen zij, maar alleen degenen die hem door een waar geloof worden ingelijfd", in de weldaad der waarachtige wedergeboorte. Daar deze wedergeboorte toch „principieel een herschepping is van den ganschen mensch naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft, is het geloofsvermogen (fides potentialis, seminalis, habitualis, semen of radix fidei [geloof als vermogen, als zaad, als hebbelijkheid; zaad of wortel des geloofs]) vanzelf met en in haar gegeven", (Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek2, IV, 87).

De kwestie van het bezit van geloofsvermogen komt voornamelijk ter sprake bij den doop der kinderen, en is van belang met het oog op hei hoop hebben voor de eeuwigheid ten aanzien van jong-stervende kinderen des verbonds.

Bij de bespreking van den kinderdoop waren de vaderen gewoon de mogelijkheid dat ze het geloofsvermogen bezaten, met weinige maar afdoende woorden te verdedigen, vgl. bijv. Calvijn, Institutie, ed. Zalsman 1868, IVe bk., § 20 (blz. 407): „Kortom, deze tegenwerping [dat geloof en bekeering niet „in de teedere jeugd" plaats hebben] kan zonder moeite hier weerlegd worden, dat nl. de kinderkens worden gedoopt tot de bekeering en het geloof die zij later hebben zullen, van welke beide gaven het zaad door de verborgen werking van den Geest reeds in hen is, schoon de gaven zelve hare gestalte nog niet hebben"; en F. Turrettinus, Instüutio Theologiae Elencticae, ed. 1701, dl. III, blz. 466 en 469: waar hij vraagt [vertaald uit het Latijn]: „En gelijk zij [de kinderen] met rede begaafd zijn, ofschoon zij de daad van het redelijk denken en redeneeren niet uitoefenen, wat verhindert ons te zeggen dat zij heilig en geloovig zijn vanwege het feit dat de Heilige Geest hun is geschonken, ofschoon ze tot de daad van het gelooven nog niet kunnen voortschrijden?" en: „De kinderen der geloovigen kunnen „ongeloovigen" genoemd worden, met betrekking tot de daad van het gelooven, omdat zij niet kunnen gelooven, maar niet wat aangaat het principium [hier: begin en beginsel] en den wortel des ge-