is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEOLOGIE

287

voorstellen, heeft men ook de aandacht gewijd aan meteorieten (stukken afkomstig van andere hemellichamen). Deze meteorieten hebben vaak een groot gehalte aan nikkelijzer. Aangezien nu deze meteorieten een soortelijk gewicht van 8 bezitten, passen zij goed bij de zware aardkern,

I en dit heeft er toe geleid om aan te nemen, dat de barysfeer zou bestaan uit nikkelijzer. Deze hypothese is verder uitgewerkt door Wegener. Volgens hem is de aardkern een bol van nikkelijzer met een doorsnede van 10000 K.M. Om dezen bol is een dikke laag (1300 K.M.) grootendeels bestaande uit silicium en magnesium (daarom Sima genoemd) met een veron-

I" dersteld soortelijk gewicht van 3,4. Deze sima is een plastische massa. De buitenkorst der aarde is ten slotte een steenmantel van 50 tot 100 K.M. dikte, voornamelijk bestaande uit Silicium en A/uminium (daarom Sal genoemd), met een soortelijk gewicht van 2,8. De aarde

[ bestaat dus volgens Wegener van buiten naar binnen uit:

Een steenmantel — 50 a 100 K.M. dik — het Sal.

Een plastische massa — 1300 K.M. dik —het Sima.

Een aardkern — 10000 K.M. doorsnede — het I Nife.

Volgens Wegener drijven nu de Sal-schollen (b.v. de werelddeelen) in de plastische Sima, zooals ijsschotsen in het water. Ja, de continenten bewegen zich ook en wel in tweeërlei richting: Westwaarts en aequatorwaarts. Vooral die tweede richting is interessant; ze wijst op een poolvlucht der landmassa's; de continenten drijven weg van de koude polen. Zoo zou dus

[ volgens de theorie van Wegener het proces van de vorming der landoppervlakten zich gericht

' hebben op de verhoogde doelmatigheid.

Uit het vorenstaande moge blijken, dat de hypothesen over de aardkern duidelijk aantoonen onze geringe kennis van de barysfeer, van het

I inwendige der aarde. Beter is het gesteld met de aardkorst of lithosfeer. Immers deze ligt, althans voor een deel, binnen het bereik van de waarneming. Maar 1° is nog slechts een klein gedeelte van de aardkorst geologisch onderzocht; 2° ook van de aardkorst is eigenlijk alleen de bovenste schil door boringen bereikbaar.

De geologie onderzoekt nu, welke krachten deze lithosfeer beinvloeden. Deze krachten zijn in hoofdzaak tweeërlei. Allereerst de endogene

[ krachten, die haar oorzaak hebben in de aarde. Het vulkanisme doet de vulkaankegels ontstaan en overdekt de landen met lavastroomen b.v.

I het basaltland van Basan. De aardbevingen brengen verschuivingen in de aardlaag teweeg. De

Iepirogenetische krachten doen de landmassa's i rijzen en dalen; zoo meent men te mogen aanI nemen, dat bepaalde gedeelten van Neerlands I bodem zinken. De orognetische krachten hebben de bergruggen geplooid. Al deze endogene krachten (epirogenese, orogenese, vulkanisme, I aardbevingen) hebben een groot aandeel gehad [ in het ontstaan van het reliëf der aarde. Het I zijn vooral deze endogene krachten, waaraan I wij wel moeten denken als Bavinck schrijft: „Op den derden dag wordt de scheiding vol¬

trokken tusschen aarde en water, land en zee; daarmede is de aarde geworden tot een kosmos, met werelddeelen en zeeën, bergen en dalen, landen en stroomen. Zonder twijfel hebben al deze formatiën niet plaats gehad dan onder de geweldigste werkingen van de in de natuur liggende mechanische en chemische krachten. Deze zijn door het machtwoord Gods en door de bezieling des Geestes opgewekt en hebben aan de aarde hare kosmische gedaante gegeven".

Maar naast deze geweldige endogene krachten werken ook de schijnbaar veel mindere beteekenende exogene krachten, die van buiten af op de aarde inwerken. De krachten werken langzaam maar zeker; hier geldt het: de gestadige droppel holt den steen.

De verweering verandert het harde gesteente in vruchtbare teelaarde (door temperatuurschommelingen ; door chemische werking van het water en de zuurstof der lucht; door werking van planten, en bacteriën). De denudatie voert de verweeringsproducten weer weg: de wind blaast het stof voort; de zwaartekracht doet de aarde langs de hellingen naar beneden kruipen; de regen spoelt de losse aarde weg. Het ondergronds stroomende water lost de kalk op en doet onderaardsche rivieren ontstaan, en groeft holen en grotten uit; zoo zijn in het kalkland van judea b.v. de spelonk van Adullam en van Machpela gevormd. Het bovengronds stroomende water slijpt de dalen uit en schuurt de typische bochten of meanders b.v. de tallooze kronkelingen van den jordaan (erosie). Tevens voert het rivierwater groote hoeveelheden verweeringsproducten mee en legt die langs hare oevers als vruchtbare kleistrooken of bouwt aan den mond de delta.

De wind blaast het zand voort en jaagt het op tot duinen; tevens schuurt het langs de rotsen en slijpi grillige vormen uit. De gletschers ploegen in de bergflanken diepe U-vormige dalkommen uit; het ijs knaagt aan de hellingen en voert de morzelgesteenten mee, die aan het gletschereinde worden neergelegd in groote puinvelden (moraines). Het zeewater doet de kusten terugwijken; maar anderzijds bouwt het slib zandwallen op in de zee. Al deze exogene krachten werken onophoudelijk en veranderen het landschap. Zoo beschrijft reeds Job de werking van water en wind: „Dewateren vermalen de steenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dai vanzelf daaruit voortkomt" (Job 14:19).

In de veranderingen, die al deze krachten op de aarde veroorzaken, heeft de geologie gemeend de bronnen te vinden van de wordingsgeschiedenis der aarde. Op het voetspoor van Lyeli, die het ontogenetisch principe invoerde, meende men te moeten uitgaan van de onderstelling, dat de natuurkrachten onveranderlijk zijn. Daardoor kon men dan de wetten, welke men vond voor de bestaande aarde, ook toepassen op het ontstaan der aarde.

Evenwel, in deze mechanische wereldbeschouwing is voor den scheppenden wil Gods geen plaats. Buitendien is het principe van de onveranderlijkheid der natuurkrachten in strijd met de ervaring. Telkens wordt de regelmaat verstoord door ontzaglijke gebeurtenissen; wordt de ge-