is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

QEULINX — GEUZEN

313

II. Het bijzondere getuigenis des Heiligen Geestes Aan de algemeene waarheden heeft de geloovige niet genoeg. Niet alleen is door de zonde de cirkel der algemeene waarheden kleiner geworden, omdat verduistering gekomen is over het menschelijk verstand, maar ook kan hij de kennis van den Christus Gods, die de Waarheid is niet ontberen. Daarom roept het algemeene getuigenis om het bijzondere. Ook hier moet weer tweeërlei ter sprake komen:

1. Het bijzondere uitwendige Geestesgetuigenis. Op zichzelf komt dat tot ons door de bijzondere openbaring. Doch deze bijzondere openbaring kunnen wij niet anders kennen dan uit de Heilige Schrift. Van God — en in het bijzonder van den Heiligen Geest — ingegeven, doet de Schrift ons Christus aanschouwen als koning in het rijk der waarheid. Hij getuigt van Christus (Joh. 5 : 39) krachtens Zijn plaats in het Verbond der Verlossing (Vrederaad) is het den Heiligen Geest eigen niet van Zichzelf te spreken, maar om het uit Christus te nemen en het de gemeente te verkondigen (Joh. 16 : 13, 14). Zoo moet dan de Schrift voor het tegenwoordig geslacht der geloovigen worden aangemerkt als het uitwendig getuigenis van den Geest.

2. Het bijzondere Inwendige Geestesgetuigenis. Gelijk alle middellijke werkingen des Geestes onderstelt ook het uitwendige getuigenis des Geestes in de Schrift een daarop correspondeerende actie in het hart der geloovigen. Iets anders is het objectief de waarheid te hooren, dan subjectief van die waarheid verzekerd te zijn. Het bijzondere inwendige Geestesgetuigenis bedoelt nu van de waarheid der waarheid te overtuigen, de waarheid te verzekeren en te verzegelen. Het heeft niet alleen tot object het gezag of de Goddelijkheid der Heilige Schrift, gelijk men wel heeft verondersteld, maar heel het centrum der waarheid. Paulus noemt hierbij i met name het kindschap Gods (Rom. 8 : 14). In de Gereformeerde theologie kwam de leer van het getuigenis des Heiligen Geestes in de harten der geloovigen het meest tot zijn recht. Bij Rome nam het getuigenis der kerk de plaats van dit Geestesgetuigenis in. Door het Mysticisme werd het losgemaaakt van het uitwendig getuigenis in de Schrift. In het Modernisme van Scholten e. a. gold het als een getuigenis der Christelijke rede. Bemiddelingstheologen maakten het tot een getuigenis van het wedergeboren ik. Tegenover al deze opvattingen moet er aan worden vastgehouden, dat eenerzijds het inwendig getuigenis in onverbrekelijk rapport staat met het uitwendige, de Schrift, doch er nooit mee mag worden geïdentificeerd en dat anderzijds op de dualiteit van Goddelijken Geest en menschelijken geest ook ten opzichte van dit getuigenis niet mag worden afgedongen. Overigens verdient deze leer nadere uitwerking, wat natuurlijk in een kort artikel niet kan geschieden. [ 15.

Geulïnx (Arnold). Nederlandsch wijsgeer, gestorven 1669 te Leiden. Zijn filosofisch standpunt, dat occastonalisme wordt genoemd, is in sterke mate beïnvloed door Descartes. Een van de voornaamste gedachten van dezen Franschen filosoof was de dualiteit der eindige substanties. Er zijn slechts twee substanties, geest en ma¬

terie, die niets met elkander te maken hebben en niet op elkander kunnen inwerken. Deze metafysische gedachte toegepast in de anthropologie beteekent: lichaam en ziel vormen alshet ware twee geheel gescheiden sferen en hebben geen relatie met elkaar.

Bij deze Cartesiaansche gedachte sluit Geulinx zich aan. Volgens hem moeten we bij de erkentenis van de dualiteit van lichaam en ziel niet uit het oog verliezen, dat er in de werkzaamheden een zekere analogie of overeenkomst is. Deze overeenkomst wordt beschikt door God. Wanneer door trillingen van de lucht de gehoorzenuwen geprikkeld worden, beschikt God, dat op hetzelfde oogenblik in den menschelijken geest een geluidgewaarwording ontstaat. Wanneer de mensch in zijn geest tot een wilsbesluit komt, beschikt God, dat op hetzelfde oogenblik het lichaam zich in beweging zet en de handelingen verricht, die door den geest worden gewild. Bij de waarneming is dus de zenuwprikkel geen oorzaak van de gewaarwording, geen causa efficiens, maar slechts aanleiding, causa occasionalis. De wilsimpuls is geen oorzaak van de beweging des lichaams, maar de aanleiding. God is zoo te zeggen het medium, dat gelijktijdigheid van werkingen in twee volstrekt gescheiden sferen veroorzaakt. Op hetzelfde oogenblik, occasione, dat de geest een werking verricht, zorgt God er voor, dat in het lichaam een daarmede overeenstemmende handeling wordt uitgevoerd. [ 14.

Geuzen. De Geuzen danken hun naam aan een woord, dat waarschijnlijk door Karei graaf van Berlaymont bij het overhandigen van een smeekschrift aan Margaretha van Parma (1566) gesproken werd.

Toen na het vertrek van Granvelle alles hier bij het oude bleef en de pogingen, om verzachting der plakkaten te verkrijgen, waren mislukt, besloot men tot het vormen van een verbond, dat voor godsdienstvrijheid zou opkomen. Dit leidde tot het zoogenaamd Verbond der Edelen (1565), dat, oorspronkelijk zuiver Protestantsch, later (onder den invloed van Oranje) ook Roomschen opnam, waardoor het zelfs een mislukking zou worden. Het allereerste begin van dit Compromis der Edelen was zuiver gewetenszaak. Het richtte zich vóór alles tegen de inquisitie. Het gezag des konings echter wilde men hoog houden. In een paar maanden traden een driehonderd Edelen toe, hoewel niet de Grooten. Ook Oranje niet. Eerst in 1566 trad ook Oranje, bevreesd voor een isolement, toe. Voprloopig was voorzichtigheid eisch en men bepaalde zich aanvankelijk tot de aanbieding van een rekest, bij wijze van machtsvertoon. Den 5den April 1566 was de dag van de aanbieding van het beroemde smeekschrift. In plechtigen optocht gingen de Edelen naar Brussel. Brederode deed het woord. In afwachting van het antwoord van den koning vroegen zij algeheele schorsing zoowel van de inquisitie als van al de uitvoeringen van de plakkaten. Op het gezicht van al deze Edelen schrok Margaretha, de landvoogdes, wel een beetje, maar onmiddellijk werd zij gerustgesteld door het sedert gevleugelde woord van Berlaymont: