is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEZANG — GEZANGENKWESTIE

323

vereiniteit onderstelt altijd een relatie met het schepsel, terwijl er in het intertrinitarische leven Gods reeds „gezag" gevonden wordt, n.1. niet in de ontologische, maar in de oeconomische Triniteit, welke laatste tegenwoordig meestal vertaald wordt door: Openbaringsdrieëenheid. De mensch, wijl geschapen naar Gods beeld, is onder de schepselen de gezagsdrager bij uitnemendheid.

De eerste gezagscategorie, waarbij het gezag rust in het recht, door God verleend, komt voornamelijk uit in vijf derlei kring, de z.g.n. „gezagskringen" en wel 1°. als maritaal gezag (dat van den man over zijn vrouw), 2°, als patriarchaal en matriarchaal gezag (dat van de ouders over de kinderen), 3°. als politiek of overheidsgezag, 4°. als sociale gezag en 5°. als kerkelijk gezag.

De laatste drie gezagsverhoudingen zijn eerst noodzakelijk geworden door de zonde. Daarvan zijn het politieke en sociale gezag aan de algemeene en het kerkelijke gezag aan de bijzondere genade te danken. Hoe zich de eerste twee zouden hebben ontwikkeld, indien de mensch niet ware gevallen, is een vraag, welke speculatieve geesten zeer aantrekt, maar waarop geen bevredigend antwoord kan worden gegeven.

Is het gezag van God absoluut, het Goddelijke gezag, dat op den mensch is gelegd, is altijd relatief, gelimiteerd, begrensd. De gezagsdrager heeft angstvallig te waken, dat hij de grenzen van zijn gezag niet overschrijdt. Buiten de grenzen, door God getrokken, hetzij in de Schrift, hetzij in Zijn voorzienig bestel, is men hem geen gehoorzaamheid verschuldigd. Hier ligt de basis voor het heilig „recht van den opstand." Voorzoover de grenzen van het gezag als voor alle tijden geldig in de Schrift zijn uitgestippeld, zijn ze onveranderlijk. Overigens echter toont Gods voorzienig beleid, dat, naarmate de menschelijke samenleving meer gecompliceerd wordt, naar die mate ook de grenzen van het gezag enger worden. Als voorbeeld diene de overgang van het despotisme naar de constitutioneele monarchie of de republiek.

De tweede gezagscategorie, waarbij het gezag rust in de eminente kwaliteiten, door God aan menschen geschonken — deze wordt vooral aangetroffen op het gebied van religie, moraal, wetenschap, kunst, techniek. De hoogstaande religieuse of moreele persoonlijkheid, de deskundige in wetenschap, kunst en techniek oefenen vaak een gezag, dat dieper indringt, dan dat van hen, welke met z.g.n. „uitwendig" gezag zijn bekleed. Bij conflict tusschen het z.g.n. „uitwendige" en het z.g.n. „inwendige" gezag, behoort steeds het eerste te worden gehoorzaamd, indien het zijn grenzen niet overschrijdt. Het kind, dat zich geplaatst ziet voor de keuze, om öf het gebod van zijn ouders te gehoorzamen öf de meening van een leermeester, met wien hij dweept, te volgen, heeft zich aan het ouderlijk gezag te onderwerpen.

In onzen tijd wordt een zware strijd gestreden om het gezag. Die strijd openbaart zich in drie vormen. Of men bestrijdt het gezag als zoodanig (anarchie, nihilisme), öf men ontkent, dat het gezag van Goddelijken oorsprong zou zijn en onder Goddelijk dictamen zou staan en wil

het uit den mensch laten opkomen (volkssouvereiniteit, valsche democratie), öf men wenscht de geleidelijke afschaffing van het z.g.n. „uitwendige" en haar vervanging door het z.g.n. „inwendige" gezag (gezagssubjectivisme). Over heel deze bestrijding luidt het vonnis: „Die in den hemel woont zal lachen, de Heere zal hen' bespotten" (Psalm 2:4). [ 15.

Gezang. Van ouds is het gezang uiting geweest van de blijdschap des harten, en zoowel individueel als gezamenlijk een middel geweest om God te loven. De vrouwen van Israël met Mirjam zongen aan de Schelfzee. Bij Davids terugkomst na het slaan van Goliath, zongen de vrouwen met reien. Men zong in de huizen, in het huis des Heeren, bij den opgang naar de groote feesten (liederen Hammaaloth). De Psalmen geven uiting aan de verschillende toestanden der ziel, die noopten tot klagen of jubelen. Aan het gezang paarde zich menigmaal het „trompettenen bazuingeklank."

Het gezang is altijd in de Christelijke kerk geweest een deel van de godsdienstoefening. Men heeft daarbij verschillende methoden gevolgd. O.a. Gregoriaansch gezang. [ 28.

Gezangboek = naam voor een verzameling geestelijke liederen, uitgegeven hetzij voor kerkelijk, hetzij voor huiselijk of ander gebruik. De Roomsche kerk kent alleen gezangboeken; de Luthersche bedient zich er van naast het psalmboek. De Gereformeerde kerk in ons vaderland heeft alleen „Eenige Gezangen", die aan het psalmboek zijn toegevoegd. De Nederlandsche Hervormde kerk voerde een Gezangen-bundel in; zie: Gezangenkwestie. [ 20.

Gezangenkwestie. Hieronder verstaat men den strijd, die in de 19e eeuw, en tot hiertoe gevoerd is over „de Evangelische Gezangen" die in 1807 in de Hervormde kerk, onwettig ingevoerd, eerst aanbevolen, daarna verplichtend gesteld zijn. Bij de Afscheiding in 1834 openbaarde zich de sterke afkeer van de Evangelische gezangen, al was het ook niet, dat deze de hoofdoorzaak van de godsdienstige beweging vormde. Ds. de Cock van Ulrum schreef eerst een inleiding op een werkje van zekeren Jacobus Klok tegen de Gezangen, wat een grond voor zijn afzetting werd. Daarna schreef hij (1835) een werkje over de Gezangen, getiteld: De zoogenaamde Evangelische gezangen, de oogappel der vervoerde en verleide menigte in de Synodaal Hervormde kerk, ja zelfs nog van sommige van Gods kinderen uit blindheid, en omdat zij dronken geworden zijn door den wijn harer hoererijen, • nader nog getoetst, gewogen en te ligt bevonden, ja strijdig met onze Formulieren van eenheid en Gods Woord door H. de Cock, Gereformeerd leeraar onder het kruis om fezus Christus wil, van Ulrum.

Later deed zich in de Hervormde kerk de zaak van het zingen van de Gezangen weer op. In 1869 verscheen een brochure: De Anti-gezang geest tn onze Nederlandsche Hervormde kerk, door Ds. L. J. van Rhijn en Mr. Koenen, met een brief van Prof. Brummelkamp als aanhangsel. In 1872 schreef Ds. Huet over den gezangenstrijd. In 1885 veroordeelde Dr. Kuyper in een vijftal opmerkingen in De Heraut het zin-