is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GNOSIS

341

Volgens het Nieuwe Testament is de Gnosis de kennis van den weg des heils. die door God is geopenbaard in de Heilige Schrift, en die door de wedergeboorte en de verlichting des Heiligen Geestes het eigendom wordt van allen die God liefhebben (1 Cor. 2 : 11—16; 4:4; 2 Cor. 11 : 6; Matth. 13 : 11; Mare. 4 : 11). Maar de Gnostieken namen aan een gnosis, die het deel was van enkele hooger ontwikkelden en ingewijden in de geheime leer. Het geloof en de theologie was goed voor de onontwikkelden, de kennis en de filosofie voor de pneumatici. Leerde Christus: „Zalig zijn de armen van geest" en „Indien gij niet wordt gelijk een kindeken, gij zult in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan", de Gnostieken leerden: „De kennis maakt zalig." En bedienden de Christentheologen zich van de filosofie om dieper in te dringen in den inhoud der waarheid, en deze voor eigen bewustheid meer helder voor te stellen, bij de Gnostieken ging de inhoud van de Christelijke waarheid teloor en leverde de filosofie den inhoud der voorstelling.

Het Gnosticisme is een poging om het Christendom in de vermenging van allerlei heidensche elementen: Chaldeeuwsche astrologie, Perzisch dualisme, Syrische en Foenicische mythologie, Hellenistische gnosis vermengd met Neo-Pythagoreïsche, Stoïsche en Platonische gedachten, op te nemen, en het zoo van zijn absoluut karakter te ontdoen. Het trachtte het Christendom te veranderen in een soort godsdienstfilosofie. Het beschrijft een theogonisch proces, een Christelijke, mythologie in den stoutsten zin van het woord, de geschiedenis van hemel en aarde omvattende gedichten. De hoofdvraag is hoe de menschelijke geest in de banden der materie gekomen is en hoe deze daarvan kan worden bevrijd. De materie is slecht, en heeft haar oorsprong niet in God, maar in een wezen van lageren rang, in den God des Ouden Testaments. Tot verlossing van de in de materie geboeide geesten gaan uit God verschillende aeonen uit, waarvan de aeon Christus de hoogste is. Christus wordt docetisch opgevat; het komt niet aan op het historisch feit, maar op de idee. Door de allegorische uitlegging worden deze ideeën met de Heilige Schrift in overeenstemming gebracht, en voorgedragen in beelden en vormen aan de Oostersche mythologie en kosmogonie ontleend. Het Gnosticisme is dus in wezen heidensch, met Christelijke ideeën vermengd.

Nu traden de Gnostieken op in den vorm der oude mysteriën. Zij trachtten kringen in de gemeente te vormen, een esoterische gemeenschap van ingewijden en volkomenen. Om ingewijd te worden in die gemeenschappen waren mystische wijdingen en symbolische handelingen van allerlei aard in gebruik, b.v. het inbrengen in de bruidskamer, het brandmerken aan het rechter 6or, drieërlei doop met water, vuur en geest, zalving, avondmaalsviering met verandering van wijn in bloed, zalving van de stervenden met water en olie. Welke practische beteekenis aan deze handelingen toekwam, leeren de oorspronkelijke Gnostische geschriften, die in het Koptisch bewaard zijn. Het geheele ijdele spel met symbolen en formules vindt zijn parallelen in

de heidensche mysteriën van dien tijd. Alles moest dienen om den geest vrij te maken van de overheerschende macht van de stof. En bij het streven naar dit doel volgde men een laxe en een strenge moraal. Onder de Syrische en Egyptische Gnostieken waren er die streng ascetisch leefden, terwijl de Valentinianen veelal een libertinistische moraal huldigden.

Toch stelden de Gnostieken het gaarne voor dat hunne leer echt Christelijk was. Zij beriepen zich daarvoor op de Heilige Schriften en op de oud-Christelijke overlevering. Sommige leeraars als Basilides, Valentinus, Markus, beriepen zich op mededeelingen van de godheid. De Karpocratianen leerden (Iren. I, 25) dat Jezus in het verborgen en op geheimzinnige wijze zijn leer aan de apostelen had medegedeeld en hun had opgedragen die leer slechts aan vertrouwbare en oprechte geloovigen mede te deelen. Ook de Pistis Sophia leert hetzelfde. Ptolomeus spreekt tot Flora van de apostolische overlevering. Valentinus noemt als zijn leermeester Theodas, die de leer van Paulus gehoord had. Basilides beroept zich op een leerling van Petrus, Glaukias. Men beriep zich op de geschriften des Nieuwen Testaments, die zij naar de wijze der allegorische exegese uitlegden. Op grond hiervan en van de geheime traditie ontstond een Gnostische litteratuur: Handelingen van Andreas, Johannes, Petrus, Thomas, e.a. waardoor zij hunne leer als echt Christelijk trachtten voor te stellen, en waardoor zij bij vele eenvoudigen geloof vonden.

De beteekenis van het Gnosticisme in de historie der kerk is groot. Omdat zij het Christendom als leer en als mysterie voorstelden, werd de Christelijke kerk genoodzaakt vast te stellen welke eigenlijk de Christelijke leer is. En tevens, omdat de Gnostieken de Heilige Schriften en de overlevering voor hun doel gebruikten, werd de kerk gedwongen den canon vast te stellen. Was dat niet geschied, dan was de Christelijke kerk middellijk losgemaakt van haar historischen grondslag. Doch God deed uit het kwade het goede voortkomen. Evenwel werden bij den strijd tegen en de overwinning van het Gnosticisme ook onchristelijke elementen, de scheiding der priesters van de leeken, het aanvaarden van de traditie, de ascese, enz. overgenomen.

Een geschiedenis van het Gnosticisme is niet te geven. Reeds zijn oorsprong ligt in het duister. De kerkelijke polemiek heeft tot den vader van het Gnosticisme gemaakt Simon Magus. Zeker is dit echter niet. Waarschijnlijk is het Gnosticisme in de Semietische wereld, in 't bijzonder in Syrië en Palestina ontstaan. Simon de toovenaar gold in de oude kerk als de aartsketter. Irenaeus verhaalt dat volgens de Gnostieken Simon was de hoogste kracht, de boven alles staande vader, en dat hij door Helena, de moeder van allen, zijne gedachten openbaart, en engelen schept. Deze Helena is afgedaald in de lagere streken, heeft engelen en krachten verwekt, die deze wereld hebben geschapen. Zij heeft zich in vrouwelijke incarnaties verder geopenbaard, eerst in de Grieksche Helena, dan in dè Heiena, welke door Simon te Tyrus uit