is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GOATH

Christus ingestelde sacramenten van doop en avondmaal; in plaats van het Syncretisme de eenheid Gods in Christus naar de Heilige Schrift. Tegenover het sectarisme der Gnostieken legde de kerk nadruk op het absolute karakter van de openbaring Gods en van het Christendom. Om de leer der kerk zuiver te houden werd de doopbelijdenis nader gepreciseerd, om vastheid te geven aan de kerk en het ambt werd de canon nader vastgesteld en ambt en traditie nader verbonden. Doch bij de handhaving en nadere preciseering van de leer der kerk is de kerk niet vrij gebleven van het verkeerde. Al te eenzijdig werd nadruk gelegd op het moralisme, de vrijheid van den wil, de goede werken en de redelijke natuurlijke krachten en de bijzondere genadewerking door de sacramenten. Maar desniettemin is door het krachtig optreden der kerk, en door het vasthouden aan de Heilige Schrift de kerk bewaard voor vervloeiing en vervalsching en is de stoot gegeven voor de ontwikkeling van de kerk en hare belijdenis. [ 32.

Goatb, een plaats, die slechts éénmaal inde Schrift voorkomt (Jerem. 31:39), en vermoedelijk dicht bij Jeruzalem gelegen was.

Gob wordt 2 Sam. 20 : 19, maar niet in den gelijkluidenden tekst, 1 Kron. 20 : 4, genoemd als de plaats eener schitterende zegepraal over de Filistijnen; hoewel de juiste ligging onbekend is, zal toch wel gedacht moeten worden aan het heuvelachtige land van Judea.

Gobat (Samuel), geboren 1799 te Bern, t 1879, ontving zijn opleiding in de zendingshuizen te Basel 'en te Islington, ging als zendeling met Kugler over Cairo(1826) naar Abessinié (1830) dicht bij Addigerst in Tigre, en vervolgens naar Amhara en Andowa. In Malta bezorgde hij de uitgave van den Arabischen bijbel. In 1846 werd hij door Friedrich Wilhelm IV benoemd tot bisschop in Jeruzalem, waar hij zich zeer verdienstelijk maakte door het stichten van evangelische gemeenten, door de zorg voor scholen en ziekenhuizen, die hij bouwde te Jeruzalem, Jaffa, Bethlehem, Nablus en Nazareth, en door net bij voortduw onderhouding van zijn betrekkingen met Abessinië. [ 20.

Gobius du Sart. I. Johan Jakob Gobtus da Sart, geboren 16 April 1818, overleden 20 Februari 1894, studeerde te Utrecht, werd 3 Augustus 1842 candidaat bij het Provinciaal kerkbestuur van Overijsel, en aanvaardde 21 Juli 1844 het predikambt bij de Nederlandsch Hervormde gemeente van St Jansga ca. Daarna stond hij te Nigtevegt (1848), Bleskensgraaaf en Hofwegen (1857), Raamsdonk (1861) en Nijkerk op de Veluwe (1870), waar hij werkzaam was tot zijn emeritaat, dat 1 April 1893 inging. Van hem verscheen in druk een vertaling van J. G. du Bergerius, De ontsluiering van Mozes' verklaring van de voornaamste typen des Ouden Testaments(Amsterdam 1857), terwijl hij een voorrede en aanteekeningen «af bij Kolhlbrugge's Betrachting over het lste kapittel van het Evangelie van Mattheus (Utrecht 1860). Hij was een van Kohlbrugge's uitnemendste vrienden. — II. Zijn jongere broeder Gregorius Johan Gobius du Sart, geboren 6 Juni 1832, overleden 29 Mei 1865, studeerde te Utrecht, werd 25 Augustus 1857 candidaat bij het Provinciaal

— GOD 345

kerkbestuur van Gelderland, en deed in datzelfde jaar zijn intrede te St. Jansga ca. In 1861 verwisselde hij deze gemeente met Arnemuiden. Als consulent van Zoutelande bewerkte hij, dat daar in 1865 Kohlbrugge beroepen werd. [ 30.

Gocb (Johannes van), was een man uit de dagen vóór de Reformatie met reformatorische denkbeelden. Hij heette eigenlijk Johannes Pupper en kwam uit Goch bij Kleef. Van zijn leven is zeer weinig bekend. Hij was prior in een door hemzelven gesticht klooster te Mechelen, gestorven 1475. Hij was een stil en bescheiden man, die niet openlijk zijn gevoelen propageerde. Wij kennen hem door eenige geschriften, welke hij naliet. De libertate Christiana; De quattuor erroribus circa legem evangellcam etc. De vier gebreken der kerk zijn volgens hem 1°. de verandering van het Evangelie door de Wet; 2°. het antinomisme van den vrijen geest; 3°. hetPelagianisme in den dwang der geloften. De liefde, welke tot vrijheid voert, was voor hem het materieele, de autoriteit der Heilige Schrift het formeele beginsel zijner theologie. Hij ijverde zeer tegen de verdienstelijkheid der geloften. Hoewel hij tot de Heilige Schrift terug wilde gaan In zijn theologie, kon hij zich toch niet aan het gezag der kerk ontworstelen; en in de leer der rechtvaardigmaking stond hij nog geheel en al op middeleeuwschen bodem. Toch vindt men bij hem vele zuiver Augustiniaansche gedachten (C. Ullmann, Hervormers voor de Hervorming). [ 24.

God. De eerste vraag die ten aanzien van God beantwoord moet worden is deze: zullen we iets van Hem kunnen zeggen ? Is Hij niet de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont en wiens naam heilig is (Jes. 57 : 15a), te hoog en te verheven dan dat wij met onze gedachten of woorden tot Hem zouden kunnen raken? Is Hij niet de volkomen-onbegrijpelijke, over wien ons dus alleen het zwijgen betaamt? Het schijnt zoo, en het zou zoo zijn indien we niet hadden de Schrift, het Woord Gods. Maar nü we die Schrift hebben, is God ook kenbaar. In de natuur en in de Schriftuur, maar zóó dat de Schriftuur licht werpt op de natuur, heeft God Zich geopenbaard, en doel van die openbaring Gods is nu juist dat de mensch tot het leeren kennen van God moge komen om ook in dien weg het eeuwige leven te ontvangen (Joh. 17 : 3). Raadplegen we de Schrift dan blijkt aanstonds en allerwege dat God behalve de Absolute, ook de Persoonlijke is; Hij, die de Hooge en Verhevene is, woont ook bij dien die van een verbrijzelden en nederigen geest is (Jes. 57 : 156). Hij is de Ongeziene (Joh. 1:18), die een ontoegankelijk licht bewoont (1 Tim. 6 : 16), de Onveranderlijke (Jac. 1 : 17), de Alomtegenwoordige (Hand. 17 : 27), enz., maar tevens zulk een God die woont in den persoon van Christus (Col. 2 : 9), in de gemeente (1 Cor. 3 : 16), ja, in ieder geloovige (Joh. 14 : 23). Overal bij de Heidenen vinden we öf de gedachte der absoluutheid, met name in de wijsbegeerte, öf die der persoonlijkheid (volksgodsdiensten); slechts bij het Christendom en in de Schrift vinden we ze beide vereenigd.

Toch stond, overeenkomstig de idee der