is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

348

GODEN — GODMENSCH

Goden worden in de Heilige Schrift soms genoemd degenen, op wie God iets van Zijn glans en majesteit heeft gelegd, en die Hij in zeer bizonderen zin als Zijn plaatsvervangers wil beschouwd zien, Ex. 4 : 16, 7 : 1, 21 : 6, 22 : 8, 9, 28 vg. Joh. 10 : 34, 35; ook degenen, die door Hem in de wereld met gezag zijn bekleed en als zoodanig dragers en beschermers hebben te zijn van het door Hem gegeven recht, Ps. 82 : 1, 6. [ 20.

Godenleer = leer van de fabelachtige godheden en halfgoden of helden dei* heidensche volken, fabelleer, mythologie.

Godenschemering, een woord uit deNoordgermaansche mythologie, dat eigenlijk wereldondergang beteekent, maar dat ook voorkomt met toevoeging van één letter, en dan vertaald kan worden als godenschemering, d. i. verduistering der goden bij den wereldbrand.

Godenspijs == ambrozijn, dat de eeuwige jeugd schonk aan de goden.

Godet (Frédéric Louis), geboren 1812 in Neufchatel, studeerde in Bonn en Berlijn theologie. In 1836 werd hij tot den predikdienst toegelaten. Van 1836—38 was hij hulpprediker te Valengin. In 1838 werd hij de leermeester van den kroonprins van Pruisen, den lateren keizer Friedrich III. Dat bleef hij tot 1844. Tot 1850 was hij hulpprediker te Val de Ruz. In hetzelfde jaar ontving hij een benoeming tot hoogleeraar in de godgeleerdheid te Neufchatel. Hij was in die stad tevens predikant en arbeidde als zoodanig. In 1873 was hij het, die den stoot gaf tot het ontstaan van de Vrije kerk van Neufchatel. Hij was een kundig exegeet. Afkomstig zijn van zijn hand Commentaire sur 'VEvangile de St Jean, 1881; Sur St Luc, 1888; Sar VEpitre aux Romains, 1881; Aux Corinthiens I, 1886. Bovendien Etudes bibüques (1876). Verschillende van deze boeken zijn in andere talen omgezet. Het Evangelie van Johannes, De eerste brief aan de Cortnthtè'rs en Bijbelstudiën ook in het Nederlandsch. Godet was behoudend van richting. Schoone gedachten ontwikkelt hij in zijn verklaringen. Hij is niet de dorre exegeet, maar hij doet, wat hij verklaart, voor den onderzoeker leven. Godet overleed 29 October 1900 in zijn geboorteplaats. [ 24.

Godgeleerdheid mag niet als een zuivere vertaling van het woord „theologie" worden opgevat. De laatste strekt zich veel verder uit dan de eerste. Afgedacht van de zeer ruime beteekenis, welke de term „theologie" bij zijn oorsprong had en door latere wijzigingen verkreeg, gebruikt men hem thans in vierderlei zin: a. als de kennis, welke God van Zichzelf heeft (theologia archetypa), b. als de kennis, welke de mensch, in het bijzonder de geloovige aangaande God heeft (theologia ectypa), c. als de wetenschappelijke kennis aangaande God en d. als dat onderdeel van de dogmatiek, dat men gewoonlijk als „de leer van God" aanduidt (theologie in enger zin).

Godgeleerdheid nu is alleen de naam voor het onder c. genoemde. Zij is dat deel der wetenschap, dat tot object heeft God, gelijk Hij kenbaar is uit Zijn openbaring, of om het korter uit te drukken: dat tot object heeft de Schrift

Immers, ofschoon God zich nog altijd aan ieder mensch, geloovig of ongeloovig, openbaart, in zijn ik, door de natuur en de historie (algemeene openbaring) en ofschoon de bijzondere openbaring meer omvat, dan in de Schrift is opgeteekend, kunnen wij God toch alleen recht kennen uit de Schrift als de normatieve documentatie van de bijzondere openbaring en is deze het directe object van de Godgeleerdheid.

Te spreken van een natuurlijke Godgeleerdheid, zooals de Scholastiek deed, moet derhalve gelaakt. De Verlichting (Aufklarung) heeft deze idee der Scholastiek opgevat bet zwaartepunt der Godgeleerdheid verlegd naar de zgn. natuurlijke Godgeleerdheid, met de idee eener onfeilbare bijzondere openbaring gebroken en de Godgeleerdheid kreeg tot object dat wat de mensch in zijn binnenste, in natuur en historie als heenwijzingen naar God meende te vinden, dus feitelijk de menschelijke gedachten aangaande God.

Beteekende dit een algeheele verbastering der Godgeleerdheid, Schleiermacher leidde wel in nieuwe, maar niet in beter sporen. Hij poneerde de religie als het object van de Godgeleerdheid, maar daardoor veranderde de Godgeleerdheid in godsdienstwetenschap (waarover in een afzonderlijk artikel nader) en daarmee heeft hij de „theologie" der 19de eeuw beheerscht Hoezeer men ook van de constructie van Schleiermacher afweek, de grondgedachte werd door de meeste richtingen aanvaard en niet zelden tot een consekwentie opgevoerd, waarvoor Schleiermacher zich zou schamen. Zoo werd de theologie veelszins herleid tot anthropologie, de God-geleerdheid tot mensch-geleerdheid.

Dat de Godgeleerdheid bepaald wordt door de innerlijke overtuiging, welke bij den man van wetenschap als Christen door de Schrift is gewerkt en haar uitdrukking heeft gevonden in de kerkelijke belijdenis, volgt hieruit van zelf. Tusschen geloofsovertuiging en wetenschappelijke overtuiging mag geen conflict bestaan. Daarom moet ook de Godgeleerdheid een confessioneel karakter dragen. Heeft die innerlijke overtuiging haar uitdrukking niet gevonden in een belijdenis of alleen in een individueele belijdenis, zoo lijdt zij aan gemis aan diepte of aan breedte en daaruit kan nimmer een voldragen Godgeleerdheid geboren worden. De nietconfessioneele Godgeleerdheid verkeert steeds in embryonischen toestand.

De kernvraag van de Gereformeerde Godgeleerdheid is deze: wie is God in Zichzelf. Daarin verschilt zij van andere confessioneele theologiën, waarvoor het de kardinale vraag is: wie is God voor den mensch?

De meest gebruikelijke indeeling van de Godgeleerdheid is die in a. exegetische, b. historische, c. systematische, d. practische. Dr. A. Kuyper heeft in zijn Encyclopaedie de volgende gegeven a. bibliologische, b. ecclesiologische, c. dogmatologische en d. diakoniologische. [ 15.

Godmensen. Zoo wordt onze Heere Jezus Christus genoemd, ook wel door hen, die naar de Schrift Zijn twee naturen; de goddelijke en de menschelijke, belijden. Met het gebruik dezer benaming dient men echter voorzichtig te zijn, met* het oog op de dwaling, reeds door Eutyches