is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

354

GODSDIENSTLOOS - GODSDIENSTOEFENING

«.^■«..iinnc. Het woord godsdienst¬

loos beteekent zonder godsdienst. De vraag is

echter ot er wencenjK mcnacucu

In prackschen zin is het niet te ontkennen «ru /„*™„oton +oitenQ mpnsrhen. die zoo dage-

a— nnA :n <tA wprpld teven, en ook

beweren dat er geen God bestaat. David klaagde reeds over godloochenaars, die brutaalweg het i i nnAc ^nttpnripn HH noemt hen dwazen

d i menschen, die de ware wijsheid nl. de vreeze Gods verwerpen: „De dwaas zegt in znn iÜTT i„ „aAii rtnri» rPs 14 : 1 : 53 : 2). De

zonde kan een mensch zoozeer verdwazen, dat t-ii _:„* „it**„ looft aionf pr ueen God is. maar

ook het bestaan van een persoonlijk God driest-

weg ontkent. , ,

s- h>»,w»i on hpfrpkkeluken zin. als een

,. i.«t.n ,™ pph hpnaaide godheid, treft men

wel godsdienstlooze menschen aan. Zoo werd

Z _* "L- a Ac n^otron van atheïsme (eod-

aocrates uuui uc "uv»vu —»: . \ „oti-amt nmHat hii de eoden

lOOCnemugl aausciucmju, — ---» -, = ... j

niet eerde, die de staat eerde, maar tegelijkertijd luidde ook de beschuldiging, dat hij andere i . ,™ werden de Christenen

door de Heidenen van atheïsme beschuldigd, omdat zij weigerden aan den keizercultus deel j. c v.ar rhriatenrlnm waren toeeedaan;

en zoo werden, omgekeerd, de Heidenen door

de Christenen wei atneisten genueiuu, «mum j-_ ntaaraehtioren God oochenden.

uen cciugci, ^« ut..~—0— —Zelfs heeft Voetius Cartesius en zijn volgelingen wel atheïsten genoemd, want godloochenaar was a-,c oi Harht hii er ook niet aan het

bestaan Gods te ontkennen, de zaak van waar¬

heid en vroomheid door net piegen eener w«-u« j a „„ucAa korn^ondp nf haar door het nalaten

eener goede, in ernstig gevaar bracht; en ieder

nieuwigheiazoeKer, uie iceiuc, u« ■ .vt

«.-■ Ac *c ♦..„•jfcipn het nnde seenticisme wilde

invoeren, en de goddelijkheid van den Bijbel in twijfel trok. En eindelijk wordt de naam van

u ,.,d „on-oimn aan materialisten als

atneisien uun. «u s^6^..^.. —- —-

Feuerbach, Strausz, Buchner, Haeckel e.a., die geen andere macht kennen en aanbidden dan de stof. Maar in al deze gevallen wordt de naam

i-u A 1 honorlrten yin cphezigd.

jU rtlalicvcii u. *• u^f^'....... «... o . o , .

In theoreüschen en oorspronkeluken zin is er --t-i „„„ „nHcriianstinr>7e menschen en volken

ecinci vau guuj«*w«w..v.—

geen sprake. Krachtens zijn oorsprong is er geen enkel mensch volstrekt zonder godsdienst. Alle

, M_ u^Menc h«in BPhenninP' naar UOdS

mensencii iijuajcu-mw... «■—~ri—o _ .

beeld godsdienstig aangelegd. De vreeze Gods wortelt In de natuur van den mensch. „Het historisch onderzoek naar den oorsprong der religie

is geëindigd met ae erimH^-»» ™™»-»

. , 5L 6 ™m,pr tentorle dt. dat Wil

aems uus nos"" ' °—. • _,

ZT> i -Acr rr^HcHienst ontmoeten: overal

menseneii wiwn s^"^"*-"-' —'

is de mensch ook in de alleroudste tijden een godsdienstig Wezen" (Bavinck). Cicero beweerde j_i c. c-car. „nlt mn harhaarsch IS. Of

het gelooft nog aan de goden. Wel heeft de godsdienstwetenschap van den meuweren tijd

b , j i„j:„„ot ppn irrnpcrprpn COQS-

getraent uen guuouicuoi u»» •->-" ,

3= * +„0ctanH af te e den en heeft bi v

Lübbock trachten te bewijzen, dat alle volken

i „„j.ji«ncti/,n7B face . Hnnrloonen. hn

eerst een kuusuihi»uu»«v — r - -

natuurlijk, als het waar is, wat de evolutieleer

verkondigt, dat menschen uit dieren, dieren uit

planten, planten uit ceiien, ceuen uu duuigaiuov.^ stoffen zijn ontstaan; als al het hoogere is voort¬

gekomen uit het lagere, ae geesi uu «o »* de ziel uit het lichaam, het denken uit de hersens, het leven uit den dood, dan is aan de

consequentie ntet te ontKomen, uai uc guu»uici.»i uit een aan haar voorafgaanden godsdienstlozen toestand is ontwikkeld. Maar dit gevoelen wordt

tegenwooraig aoor ue guu»uiciiaiv,v.l<.uowu^ schier eenparig prijsgegeven. Allen zijn van overtuiging, dat er geen godsdienstlooze volken

zijn. Hoever ook nei umuci^ucn. iciu66'"8>"»»~~ trof men menschen zonder eenigen godsdienst aan. O. Pfleiderer schreef dan ook terechtWat

weten wij van de aanvangen aer reiigier juure gezegd eigenlijk niets. Want alle geschiedkundige getuigenissen reiken op verre na niet tot de

eerste aanvangen uer rengie iciug. w.,

als wij eerlijk zijn, van de aanvangstoestanden

der menschheid In het algemeen niets, en kunnen

er ook niets zekers van weten, wij kuuucu ™ alleen vermoedens van opperen, die, in zoover zii on gevolgtrekkingen uit bekende gegevens

7^ t_„ „ _* ~.;„Acr «,aava/>hlln1iik m(WPIl

oerusien, meer ui uimu» —

zijn, maar van voiKomen imciubu ">-■ V, scheiden moeten worden. Geen enkele van die veronderstellingen kan bewezen worden, daarom

baat het ook met er over ie iwuhcu . • X ï omgekeerd het geloof aan een persoonlijk üod natuurlijk en normaal. Zoodat Paulus dan ook op den Areopagus de inwoners van Athene kon

vermanen, „aat zij aen oceic ™w™ ^«.-w., ~. zij Hem Immers tasten en vinden mochten, hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons, want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn

wij" (Hand. 17 : l

Godsdïenstoeiemng. unuci suuou.w.ol oefening verstaan wij niet een oefening In, maar een ui/oefening van den godsdienst.

Keeds in ae aagen uer «jjuoicic»-».»-*." ~i de eerste sporen van de godsdienstoefeningen der Christelijke kerk. Van de eerste Christengemeente, door de uitstorting des Heiligen Geestes op den Pinksterdag ontstaan, lezen wij

reeds in Hand. i-.'u: „nnzij waiea vui.ia.uu.»>.

in de leer der Apostelen, en in uc 6cm™.~mr, en in de breking des broods, en in de gebeden. u:»u»« Aa Hicr-inplen aanvankelllk den

VV Cl U1C1UCU u.owif.w.».. , -

tempeldienst nog aan en kwamen zij dagelijks

bn het morgen en avonuuucr -™ nemen aan de voorlezing der Schrift en aan de gebeden, maar toch vormden zij toen reeds een

eigen kring van ennstenen, een ucgmow een zelfstandige gemeente, en hielden, behalve de samenkomsten in den tempel, ook afzonder¬

lijke samenkomsten in pnvate wumugcu, ; gemeenschap te oefenen en het brood te breken: „En dagelijks eendrachtiglijk in den tempel vol¬

hardende en van nuis tot nu» wwu :r i aten zH tezamen met verheuging en eenvoudig-J

heid des harten" (Hand. 2 : 4bj. ue nooiaoe-

standdeelen van de goasaienstoeiening v»aic, dus de lezing en prediking des Woords, de viering! van het avondmaal, het gebed en het gezang.

Toen echter tengevolge van uc u .~.6...B

j__ ic Aen. Ao Inrlen aan de samen-

aer genieciuc uum j™ ——-

komsten in den tempel een einde kwam en dei