is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GODSHUIS — GODSLASTERING

361

Godsbuis. De Armenwet van 1854 bepaalde (art. 73) dat onder godshuizen zijn te verstaan alle inrichtingen, waarin armen met een weldadig doel worden gehuisvest. Hoewel de Armenwet van 1912 de bizondere bepalingen der wet van 1854 met betrekking tot de godshuizen niet handhaafde, is daarin (art. 874) toch nog van godshuizen sprake. [ 20.

Godslamp = de lamp, die in de Roomsche kerkgebouwen dag en nacht brandt voor het tabernakel, ter eere van het sacrament des altaars. : Godslastering of blasphemie is van vloeken wèl te onderscheiden. Vloeken is het aanroepen van Gods naam om zich zelf of den naaste te verwenschen. Het aanroepen van Gods naam moet daarbij dienen om kracht aan zijn verwensching bij te zetten. Het is een zoodanig' [ misbruik van den naam des Heeren, dat valt onder het „ijdel gebruiken", hetwelk in het derde gebod veroordeeld wordt. Veel ernstiger is echter de godslastering, want dat is de aanroeping van Gods naam om God zelf te smaden of te verwenschen. Dat dorst Farao te bestaan, toen hij smadelijk en met diepe minachting over Israëls God sprak, zeggende: „Wie is de Heere, wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken den Heere niet en ik zal Israël niet laten trekken" (Ex. 5 : 2). En zoo doen de goddeloozen als zij smadend zeggen: kHlj ziet niet in eeuwigheid'' (Ps. 10 : 11); „de weg des Heeren is niet recht" (Ez. 18 : 29); „het is tevergeefs God te dienen" (Mal. 3 : 14). -Nu is het opmerkelijk, dat de Wet in het derde gebod van den gewonen vloeker alleen zegt, dat „de Heere niet onschuldig zal houden, die Zijnen naam ijdellijk gebruikt" (Ex. 20 : 7), zonder een of andere overheidsstraf voor hem ■ie bepalen, terwijl de Heere bij afzonderlijke bepaling in Lev. 24 : 16 voor den Godslasteraar uitdrukkelijk de doodstraf stelde. Immers toen de zoon van Selomith (een Israëlietische vrouw, maar die getrouwd was met een Egyptischen man), den Naam d. i. den verbondsnaam Jehovah lasterde, sprak de Heere tot Mozes: „Breng den .vloeker uit tot buiten het leger, en allen die het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de gansche vergadering steenigen. En tot de kinderen Israëls zult gij spreken, zeggende: Een ieder, als hij zijnen God gevloekt zal hebben, zoo zal hij zijn zonde dragen" (d. i. op een of andere wijze moeten boeten). „En wie den naam des Heeren gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden, de gansche vergadering zal hem zekerlijk steenigen ; alzoo zal de vreemdeling zijn gelijk de inboorling, als hij den Naam zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden" (Lev. 24 : 14—16). De Heere maakte hier dus zelf duidelijk onderscheid tusschen vloeken en Godslastering. Hij stelde zelf den regel, dat in Israëls theocratie (Godsregeering) een vloeker niet, maar een Godslasteraarwei met den dood gestraft moest worden.

Daar wij nu in het Nieuwe Testament, in verband met het feit, dat kerk en staat van nu voortaan gescheiden worden, zoodat de Godsopenbaring niet meer met de staatsinrichting is samengevlochten, geen rechtstreeksche uitspraak vinden, is de vraag, welke gevolgtrekkingen wij

uit deze Oudtestamentische gegevens voor de overheid in de Nieuwtestamentische bedeeling moeten trekken. Immers de bepalingen der Oudtestamentische theocratie mogen zoo maar niet letterlijk overgenomen en op de overheid toegepast worden. Sinds den ondergang van het Joodsche volksbestaan in het jaar 70 na Chr., is de theocratie voor goed opgehouden te bestaan. En waar God nu in het Nieuwe Testament geen bepaalde uitspraak gedaan heeft, hoe de overheid ten opzichte van vloekers en godslasteraars te handelen heeft, wordt er verschillend over gedacht. In sommige Protestantsche landenwas de Godslastering wel strafbaar, maar niet steeds met den dood. Ook in ons eigen land was zij voor en na de Reformatie in de 16e eeuw strafbaar, maar is zij sinds de invoering van den Code Pénal in 1811 uit de categorie der strafbare feiten geschrapt. En toch heeft ook nu de overheid nog een taak inzake de handhaving van Gods wet, want zij regeert immers bij de „gratie Gods". Zij kan wel niet oordeelen over het hart en over de verborgen gedachten, want dat komt Gode alleen toe. Hij kent alleen het hart. Hij bindt alleen de gewetens. En evenmin mag de overheid met het zwaard haar onderdanen dwingen tot het geloof en tot een bepaalden godsdienst. Toch heeft zij op haar terrein een taak zoowel wat de eerste als wat de tweede tafel der wet aangaat. Wat de eerste tafel aangaat, die onze verhouding tot God, dus den godsdienst regelt, mag zij niemand dwingen tot het geloof en moet zij van het innerlijk leven der godsvrucht afblijven. Haar roeping is beperkt tot de uiterlijke godsdienstige volkszeden, d. i. tot de godsdienstige zeden, gewoonten en gebruiken, die algemeen als maatgevend erkend worden en in laatste instantie voortkomen uit het ingeschapen religeuze besef, dat in Christenlanden door den invloed en de wijding van de Wet Gods .is opgescherpt. In die godsdienstige zede hebben wij met een afdruk van Gods wet te doen, en wie daartegen ingaat valt onder de bevoegdheid der overheid, omdat zij over de uitwendige godsdienstige gedragingen te oordeelen heeft.

Wanneer wij deze beginselen nu toepassen op de Godslastering komen wij tot de volgende gegevens: Vooreerst, dat de overheid hierbij slechts verbiedend en niet gebiedend kan en mag optreden. Zij mag niemand dwingen tot de heiliging van Gods naam, evenmin als tot het geloof en tot het gebed. Zelfs wanneer zij bededagen uitschrijft, laat zij haar onderdanen vrij om er aan deel te nemen of niet. De grens van haar bevoegdheid ligt in de consciëntie-vrijheid. Voorts mag zij geen atheïst, geen pantheïst enz., met het zwaard of met opsluiting straffen,omdat alle zoodanige dwalingen, ketterijen en ongeloofstheorieën alleen door de geestelijke wapenen, d. i. de beginselen des geloofs moeten bestreden en overwonnen worden. En eindelijk is de taak der overheid begrensd tot het handhaven der godsdienstige zeden en gewoonten en moet zij strafbaar stellen wat daarmee in strijd is, zooals openbare dronkenschap, onzedelijkheid en ook het misbruik van Gods naam als vloeken en Godslastering. Nu werd er in het Oude Testament tusschen vloeken en Godslastering onder-