is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

392

GREEN - GREGORIAANSCHE TIJDREKENING

eigenwaan, van gemaaktheid of van vertoon van schoone woorden, ofschoon hij zeer geleerd was en iemand met buitengewone bekwaamheden. Hij overtrof velen die vóór hem 's Heeren wijngaard ingetreden waren. Met warmte en innemendheid wist hij zijn onderwerp voor te stellen; en zijn preektrant was wel aangelegd om de harten zijner toehoorders te treffen; ja, hij bezat zulk een bekwaamheid, en werd zoo bijgestaan, om de dreigementen Gods op de conscientiën zijner toehoorders aan te dringen, dat, zegt zijn tijdgenoot Mr. Durham, „hij dikwijls zijnen toehoorders de haren Huns hoofds te berge deed rijzen" Hij wist een eenvoudige verhandeling zoo in te kleeden dat hij een geleerd publiek kon voldoen en het ter zeiver t ij d voor de eenvoudigsten zeer duidelijk was.... Hij was iemand van een vurigen geest en zijn groote toeleg was om de menschen te overtuigen van hun gevaarlijken staat van nature, ze te bewegen tot het geloof en te doen grijpen naar het eeuwige leven".

Raadplegen wij zijn werken (hetzij zijn Works, hetzij de goede schoon niet feillooze vertaling van Van Woerden) dan komen wij tot de conclusie dat de ongemeene loftuitingen allicht eenigermate overdreven moeten heeten; dat wij het weer inkleeden in een anderen vorm, maar dat de inhoud goed is en gekruid met treffende opmerkingen en mooie vondsten; dat schier al deze preeken vol zijn van ernstig ontdekkend vermaan en van Schriftuurlijke liefdevolle besturing van heilbegeerige zielen; en dat wij slechts hebben het geschreven woord hetwelk in den indruk dien het maakt immer achterstaat bij het gesprokene.

Van dezen Andrew Gray was Comrie de achterkleinzoon. [41.

Green (William Henry), (1825—1900) geboren te Groveville, New-Jersey U. S. A., eerst predikant bij de Central Presbytérian Church te Philadelphia, en sedert 1851 tot aan zijn dood professor in de Oostersche talen en de OudTestamentische vakken aan*het Theological Seminary te Princeton; een zeer kundig geleerde, die door verschillende geschriften op taalkundig gebied zijn naam als bekwaam vakgeleerde wist te vestigen. Hij stond onverzwakt op de bres voor de Goddelijke ingeving der Heilige Schrift, en bestreed op zeer zakelijke wijze met een overvloed van klemmende argumenten de negatieve kritiek welke deze aanrandde. Onder zijn werken, waarvan verschillende ook in het Duitsch vertaald zijn, nemen die welke betrekking hebben nn rti»n Pentateuch wel de belangrijkste plaats

in. Hij verdedigt daarin de eenheid en Mosaïciteit van den Pentateuch. Ook schreef hij een algemeene Inleiding op het Oude Testament, in twee deelen. [ 10.

Gregoriaanse!» gezang. Hieronder verstaat men het door Paus Gregorius den Grooten (f 604) ingevoerde liturgische gezang. Het was hierbij niet zoozeer zijn doel iets nieuws te scheppen als wel om de bestaande gezangen, die in de Christelijke kerk in gebruik waren, te verzamelen en te ordenen, hetgeen met de regeling van de liturgie hand aan hand ging. Het Gregoriaansch is een eenstemmige zang, die in de

Roomsch-Catholieke kerk nog altijd gebruikt wordt bij de liturgische plechtigheden. Voor de gezangen, die bij de mis gebruikt worden, en die verzameld zijn in het z.g. Graduale, is hij zelfs voorgeschreven. Bij andere plechtigheden bedient men zich ook van het polyphone (meerstemmige) gezang, dat in den loop der eeuwen meer en meer in zwang is gekomen.

Men onderscheidt bij het Gregoriaansche gezang acht kerktonen: vier authentieke, welker toonladders met den grondtoon beginnen en opwaarts gaan tot de octaaf, en vier plagale, waarvan de toonladders zich bewegen van onderkwart tot bovenkwint; deze hebben den grondtoon in het midden. De authentieke toonladders waren reeds in de IVe eeuw door een bisschop Ambrosius te Milaan voor het kerkgezang vastgesteld ; de vier plagale toonladders van diezelfde tonen zijn door paus Gregorius- er aan toegevoegd.

De noten, waarvan verschillende soorten in gebruik zijn, worden geschreven op een notenbalk van vier lijnen. Men heeft twee sleutels: den do-sleutel en den /a-sleutel. Bij den eersten heet de noot,, die staat op de lijn van den notenbalk, waarop de sleutel geplaatst Is, do; bij den tweeden sleutel heet zulk een noot fa. Het komt dikwijls voor, dat verscheidene noten van verschillende lengte en hoogte bij één lettergreep behooren. .

Bij het Gregoriaansch gezang heeft men het vrije rythme, d.w.z. het regelmatig herhalen van bepaald afgemeten tijden ontbreekt. Er is

dus geen maatveraeenng.

Onze psalmmelodieën zijn in zóóverre Oregoriaansch als zes van de bovengenoemde toonladders daarin vertegenwoordigd zijn, n.1. de dorische en de hypo-dorische, de phrygischeen de hypo-phrygische, de mixolydische en dekypomixolydische. De lydische en de hypo-lydische kerktonen, die tot het Gregoriaansch gezang behooren, komen bij onze psalmwijzen niet voor; daarentegen worden daar wel de gewone majeuren mineurtoonaarden aangetroffen, die men in het Gregoriaansch gezang niet kent. [33.

Gregoriaansche tijdrekening. Deze verving de Juliaansche tijdrekening, volgens welke het burgerlijk jaar gesteld werd op 365 dagen met om de vier jaren een schrikkeljaar van 366 dagen. Deze regeling zou juist geweest zijn als het tropische jaar, d. i. de tijd, dien de aarde noodig heeft voor haar wenteling om de zon, precies 365'/, dagen bevatte. Daar die tijd echter 365,2422 dagen telt kwam men met de tijdrekening achter bij den waren tijd zóó, dat in 't eind van de 16e eeuw het begin van de lente reeds viel op den 11 en Maart in plaats van op den 21 en Maart; er was dus een achterstand van 10 dagen.

Paus Gregorius XIII (1502-1585) voerde nu volgens opdracht van het Concilie van Trente in 't jaar 1582 een nieuwe tijdrekening in, die gegrond was op de berekeningen van den geleerden Calabriër Luigi Lilio. Om den achterstand van 10 dagen in te halen bepaalde de Paus doof de bul Inter gravissimas van 24 Februari 1M% dat op Donderdag 4 October zou volgen Vrfldag 15 October, terwijl vastgesteld werd, dat alleen