is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

476

HASEBROEK

wilde de beteekenis van de rede niet onderschatten. Zijn dogmatisch principe was niet oudLuthersch. Hij streefde als Vermittelungstheoloog naar een verzoening van de Christelijke vroomheid met de moderne cultuur. Bij eenige kerkelijke partij heeft hij zich echter nooit aangesloten. Hij is wel geen man geweest, die een nieuwe periode op theologisch terrein ingeluid heeft, maar als geleerde en als persoon heeft hij tot de groote Duitsche theologen behoord. Als schrijver was hij klassiek. Hij stierf 3 Januari 1890. [ 24.

Hasebroek (Johannes Petras), geboren te Leiden 6 November 1812, overleden te Amsterdam 30 Maart 1896, behoorde tot een familie, die, afkomstig uit Pransch-Vlaanderen, haar naam ontleende aan de stad Hazebrouck. Om des geloofs wille uitgeweken, hadden sommige leden zich gevoegd bij de Pelgrim vaders, die naar Amerika trokken (in de Vereenigde Staten komt de familie Hasebroek nog voor); anderen kwamen naar Holland, en vestigden zich vooral te Leiden, waar zij tot de Waalsche gèmeente behoorden. J. P. Hasebroeks grootvader, Henricus Hasebroek, theologisch doctor en predikant te Oudewetering, had naam als dichter in zijn Leidsch kunstgenootschap. Met mejuffrouw Toussaint had Hasebroek gemeen, dat beiden, evenals Beets, apothekers-kinderen waren, een omstandigheid, in het bekende spotliedje in Braga herdacht. Maar in dit Leidsche apothekersgezin ging de conversatie stellig niet alleen over poeders en pillen. Men was er letterlievend. En een man als Van der Palm behoorde er tot de huisvrienden. Zóó kon de letterkundige aanleg van Hasebroek zich voorspoedig ontwikkelen. Zijn universitaire studie te Leiden werd eenigen tijd onderbroken toen hij, hoewel gansch geen vriend van het rumoerig krijgsbedrijf, in 1830 met de koninklijke jagers te velde trok. Aan de Leidsche academie waren o.a. Bernard Gewin, Gerrit van de Linde, Heije, Kneppelhout, Drost, Bakhuizen van den Brink, Beynen, W. Moll en Beets zijn vrienden. Op zijn examens aan de universiteit haalde hij altijd den hoogsten graad. Algemeen was dan ook de verbazing, toen hij in Mei 1835 voor zijn kerkelijk examen werd afgewezen; wat zijn leermeester Van der Palm zich geweldig aantrok. In Mei van het volgende jaar toegelaten, aanvaardde hij 30 October 1836 het predikambt bij de Nederduitsche Hervormde Gemeente te Heiloo. En Hasebroeks eerste pastorie was van den aanvang af het middelpunt van een bloeiend letterkundig leven. 'tWas de Muiderkring dier dagen. Geertruida Toussaint uit Alkmaar, Potgieter uit Amsterdam, Beets met zijn Aleide, Hofdijk, Beelo, Brill, Kneppelhout, Van Lennep, Gewin, Bakhuizen en Willem de Clercq kwamen hier bij den jongen predikant meermalen bijeen, of bleven er langer of korter tijd — zooals de Kennemers het noemen — „te waardschap". Op een dag in 1839 wandelden Potgieter, Beets en Hasebroek onder de beukeboomen van den huize Nijenburg te Heiloo, waar Van der Palm's dochter, Mevrouw van Foreest woonde, en de Heiloosche kring zich wel onder het genot van kandeel vereenigde. Potgieter sprak toen met zijn beide vrienden over zijn plan om een nieuwen almanak, de

Tesschelschade, uit te geven, en vroeg van hen een bijdrage. Hasebroek zegde hem met zijn bekende vriendelijkheid terstond een vers toe. Maar Potgieter toonde aan een stuk proza de voorkeur te geven. Met zijn scherpen blik had hij nl. in door Hasebroek aan hem geschreven brieven diens aanleg als prozaïst ontdekt. Dit gaf den stoot aan de verschijning van Waarheid en Droomen, een bundel schetsen, die, onder het pseudoniem: Jonathan, Hasebroeks naam voor goed een plaats deed innemen onder onze eerste prozaïsten. Het is een boek vol mijmeringen en bespiegelingen, minder levendig en daardoor minder populair dan de Camera van zijn vriend Hildebrand. Eerst maakten de bijna gelijktijdig verschenen boeken denzelfden opgang. Tot aan den derden druk hielden ze gelijken tred. Maar toen begon het boek van Jonathan achter te blijven. Intusschen zal het onbetwistbaar zijn plaats in onze letterkunde blijven handhaven als karakteristieke uiting van een blijden, vromen humor, eenvoudige Hollandsche schalkheid en luim getemperd door een traan. In dit boek komen ook toespelingen voor op een ongelukkige liefde, die de jonge dominee in deze jaren gehad heeft. Hasebroek leefde te Heiloo met zijn zuster Elisabeth, schrijfster van Te Laat. Men zegt, dat hij Geertruida Toussaint tevergeefs ten huwelijk zou hebben gevraagd.

In Maart 1843 aanvaardde hij de evangeliebediening te Breda. Daar huwde hij jonkvrouw Van Tets, die 43 jaar aan zijn zijde leefde. Hun echt bleef kinderloos. Bij zijn komst in Breda kwam de kenner van onze kerkelijke toestanden in vroeger eeuwen, Dr G. D. J. Schotel uit het naburige Chaam (later stond hij in Tilburg) hem de hand reiken. Gemeenschappelijke liefde voor de vaderlandsche letteren legde toen den eersten knoop tot een jarenlange vriendschap tusschen hen, door wisseling van gedachten op het veld van letterkunde en godgeleerdheid versterkt. Van Breda, waar hij zes jaren arbeidde, leidde zijn weg in 1849 naar Middelburg. Hier werkte hij een tijdlang samen met zijn ambtgenoot J. J. L. ten Kate, den oudmedewerker van Braga, den student uit het vijandelijke Utrechtsche kamp. Maar Hasebroek's vredelievende natuur stond aan een goede verstandhouding niet in den weg, en er ontstond een vriendschap tusschen hen, die tot het einde toe bleef.

In 1851 werd Hasebroek te Amsterdam beroepen. Dat was een événement; want de kerkelijke sfeer was daar destijds rationalistisch of supranaturalistisch, en zeer conservatief. Toen Hasebroek nu in zijn intreepreek (de berispte leerrede is niet uitgegeven, maar een passage daaruit is opgenomen in: Het vergrijp der zeventien Ouderlingen van Dr. A. Kuyper, blz. 80) durfde zinspelen op het verschil van geloofsovertuiging tusschen hem en sommigen zijner collega's, werd hem dit door den kerkeraad zeer kwalijk genomen. In den kring van het Amsterdamsen Reveil vond hij aanzienlijke vrienden. Maar ook onder het eenvoudige volk uit de Vereeniging tot verbreiding der Waarheid, was zijn aanhang groot. En het is wel een sprekend bewijs van den grooten zegen, dien God hem