is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

490

HEBREËN

het verschil in taal en uitdrukkingswijze tusschen Hebreen en de Paulinische brieven niet ontging.

Luther hield Apollos voor den schrijver, evenals velen na hem. Ook Calvijn verklaarde, er niet toe te kunnen komen, Paulus als den schrijver aan te zien.

De brief zelf noemt geen schrijver,-wat Paulus wèl doet in al zijn brieven; Hebreën geeft een anderen blik op het heilswerk dan de brieven van Paulus, gebruikt gansch andere woorden en zinswendingen dan Paulus; de schrijver rekent zich tot de tweede generatie (zie boven), wat Paulus zeker niet zou doen.

Onder den invloed der kérk van het Oosten heeft de Latijnsche kerk eerst in 393 en 397 op de synoden van Hippo en Carthago den brief aan de Hebreën op naam van Paulus in de lijst van de canonieke boeken opgenomen. Zijn canoniek gezag hangt niet aan het auteurschap van Paulus, maar staat, ook al is onbekend, wie de schrijver is, voor dit deel der Heilige Schrift vast als een onderdeel van den canon, het onbedrlegelijk en onfeilbaar Woord Gods. [ 27.

Hebreën (Evangelie der) is de naam van een der apocriefe Evangeliën. Behalve den naam zijn ons van dit Evangelie enkele kleine fragmenten bekend, die bewaard bleven in de geschriften der kerkvaders. Het Evangelie der Hebreën moet zeer oud zijn, misschien werd het zelfs nog geschreven in de eerste eeuw. Het droeg een Joden-christelijk karakter en komt uit Palestina of Syrië. Toch is het niet onmogelijk, dat het oorspronkelijk niet in het Hebreeuwsch of Arameesch, doch in het Grieksch was geschreven. In elk geval heeft hét in beide talen bestaan. Overigens is in zake dit Evangelie veel onzeker. Fragmenten, die door sommige geleerden tot het Evangelie der Hebreën worden gebracht, rekenen anderen te behooren tot een Evangelie der Nazareners. Dit laatste zou dan geen kettersch karakter dragen, gelijk het Evangelie der Hebreën. Over het algemeen wordt aangenomen, dat het apocriefe Evangelie der Hebreën veel overeenkwam met het canonieke naar Mattheüs. [17.

Hebreën (Secte der). Een kleine, antinomiaansche secte, ook wel de Verschoristen geheeten. Een zekere Jacobus Verschoor, in 1648 te Vlissingen geboren, werd in 1665 student aan de theologische faculteit te Leiden. Hier genoot hij vooral het onderwijs van Frederik Spanheim fil. en studeerde hij ijverig. Toen hij voor de classis van Leiden zijn proponents-examen wilde afleggen, weigerde deze hem toe te laten, tenzij hij van de censuur van den kerkeraad der Waalsche gemeente ontheven was. Hierop poogde hij in Zeeland de kerken binnen te dringen, maar de geduchte classis van Walcheren, grootendeels uit Voetianen samengesteld, liet hem niet doorsluipen. Ook de classis van ZuidBeveland versperde hem den weg. Hierop begon hij, vertoornd over de kerkelijke vergaderingen, oefeningen of conventikelen te houden en smaakte hij de voldoening, dat hij een vrij groot aantal trouwe volgelingen om zich heen verzamelde. Vooral te Middelburg genoot hij de gunst van eenige aanzienlijken. De kerkeraad van Middel¬

burg klaagde dan ook over 't opkomen van „schadelijke en grouwelljke gevoelens, die heimelijk gezaaid en gestrooid wierden" (1690). De classis van Walcheren nam nu eenige maatregelen, om het verspreiden der secte zooveel mogelijk te stuiten. Zelfs werd een twistgesprek toegestaan tusschen de beide Middelburgsche predikanten Schorer en Fruitier ter eene, en Jacobus Verschoor en een zekere Grietje van Dijk (de bekende Jezabel ende leermeesteresse der Antinomianen geheeten) ter andere zijde. Het dispuut duurde van 's middags 4 uur tot 's avonds 11 uur, maar liep ten nadeele van de secte uit. Verschoor vertrok nu naar Westsouburg, op het buitenverblijf, waar voorheen de edele Marnix gewoond had en hield daar zijn conventikelen. Verschoor overleed in 1700, verheerlijkt door de zijnen, en in 1731 werd een verzameling van zijn werkjes uitgegeven.

Terwijl Verschoor op Walcheren werkzaam was, waren Theophilus van Schoor, student te Leiden, Grietje van Dijk en anderen ijverig in de weer in Holland (vooral te Leiden, Haarlem, 's-Gravenhage, Sassenheim, Maassluis) en ook binnen Utrecht. De Leidsche kerkeraad vatte in 1692 de dwalingen der Hebreën aidus saam: Zij leeren, dat men in de dagen van het Nieuwe Testament niet moet bidden om de vergeving der zonden noch met droefheid ten avondmaal moet gaan; zij verachten den predikdienst en houden conventikelen en spreken daarin vele schadelijke dingen en lastering tegen de leeraren.

Alle poging om de secte spoedig uit te roeien mislukte. Grietje van Dijk oefende soms voor wel 300 menschen, zoodat in Leiden tenminste aan de hoofden der secte het verblijf binnen de sleutelstad werd ontzegd. Eerst na den dood van Verschoor (1700) begon de invloed der secte te tanen. De denkbeelden der Hebreën vertoonden zich later nog slechts sporadisch (bijv. bij Philippus Strooband, predikant te Hoek in StaatsVlaanderen). De beruchte Grietje sloot zich bij de Remonstranten aan. Ten slotte hoort men van deze secte niet meer.

Wat nu den naam dezer secte aangaat, deze is te danken aan hun minachting voor de Statenvertaling en hun lezen van den Bijbel in de grondtalen. Iets dergelijks was ook in Amsterdam aanschouwd. Daar verbood een der leiders onder de Engelschen, John Smith, het gebruik van Engelsche bijbels bij den eeredienst; de voorgangers moesten den oorspronkelijken tekst medebrengen, dus het Hebreeuwsche en Grieksche Testament, om daaruit de gemeente door cursorische vertaling te stichten.

Wat den gemeentevorm betreft, waren de Hebreën meer independentistisch en Labadistisch. Hun leer was deze: Het wezen van het ware geloof bestaat in verzekerd vertrouwen, dat geenerlei twijfel meer toelaat. De rechtvaardigmaking van den zondaar is reeds van eeuwigheid geschied. Daarom hebben en doen de geloovigen geen zonde meer. Ook kunnen zij niet zóó leven, dat hun zaligheid daardoor verhinderd wordt. De geloovigen zijn zonder erfzonde geboren. Een eigenlijke voldoening van Jezus Christus kon op Golgotha niet plaats grijpen, maar slechts een verklaring, dat God