is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HEBREEUWSCH

491

de zonde vergeeft. Belijdenis van schuld of berouw over de zonde vinden bij den geloovige niet plaats. De geloovige is bewust van zijn zaligheid door een inwendig gevoel. Bidden om vergeving van zonden komt bij den geloovige onder 't Nieuwe Testament niet meer te pas.

Volgens Wilhelmus a Brakel, die in zijn Redelijke Godsdienst de secte der Hebreën opzettelijk bestrijdt, waren zij voor een deel ongeregelde en losse menschen, die de genade Gods tot ontuchtigheid en goddeloosheid misbruikten. Vrouwen voerden onder hen het hoogste woord. Met het oog op deze secte kant zich k Brakel fel tegen de leer van de eeuwige rechtvaardiginaking.

Om herhaling te voorkomen (zie het artikel Anünomianen), zullen wij de gronden, waarop de secte der Hebreën haar gevoelen doet rusten, nier niet weerleggen. [ 18.

Hebreeuwsch. Het Hebreeuwsch noemen wij de taal, waarin met uitzondering van de Arameesche gedeelten (Jer. 10:11; Ezra 4:8— 6 : 18; 7 : 12—26; Dan. 2 : 4—7:28) het Oude 'Testament geschreven is. Israël zelf noemde zijn taal blijkbaar niet zoo, evenmin trouwens als het gewoonlijk van zichzelf als Hebreeën Enak. In Jes. 19 : 18 heet ze: „de taal van Kanaan" en na den val van het rijk van NoordIsraël heet ze „het Judeesch" of „Joodsch" (2 Kon. 18 : 26; Jes. 36 : 11; Neh. 13 : 24). De naam „Hebreeuwsche taal" vinden we het eerst in den Griekschen proloog van de Spreuken van Sirach, waarna Josefus, de Apocriefen en het Nieuwe Testament volgen. Hier wordt er echter dikwijls het Palestijnsch-Arameesche dialect onder verstaan, dat destijds door de Palestijnsche Joden gesproken werd. De latere Joden spraken zeer gaarne van het Hebreeuwsch als „de heilige taal" in tegenstelling met het profane dialect. Dat de naam „Hebreeuwsch" de algemeen gangbare werd, danken we aan Grieksche en Romeinsche schrijvers. De vorm van den naam is een vergrieksching van het Arameesche ebraja, dat op zijn beurt weer vervorming is.van het Hebreeuwsche tbrt.

We kennen het Hebreeuwsch behalve uit het Oude Testament ook uit het in 1880 gevonden zesregelige Silóah-inschrift, dat waarschijnlijk uit den tijd van Hiskia dateert (zie Stlóah), uit een in 1908 te Gezer gevonden stuk van een landbouwkalender (6de eeuw v. Chr. ?), uit een zestigtal Israëlietische zegelsteenen van uiteenloopenden tijd, uit van namen voorziene potscherven uit de 9de tot de 7de eeuw v. Chr., gedurende de opgravingen te Samaria gevonden, uit de tusschen 1896 en 1900 teruggevonden

; brokstukken van den Hebreeuwschen tekst van de Spreuken van Sirach, en eindelijk uit tal van munten uit den tijd der Seleuciden, Maccabeën, Herodianen en Bar Cochba.

Het Hebreeuwsch behoort tot de Semitische taalgroep, welke behalve door het ontbreken van

i samenstellingen (tenzij dan in eigennamen) zich hierdoor kenmerkt, dat bijna alle woorden zijn afgeleid van gewoonlijk uit drie medeklinkers bestaande stammen, waarbij de variaties van het stambegrip worden uitgedrukt door klankverschillen, welke echter niet in de schrijftaal zijn

opgenomen. De naaste verwanten zijn: a. het Moabitisch, dat we alleen kennen door het in 1868 gevonden praalinschrift van koning Mesa, den tijdgenoot van Achab (2 Kon. 3:4) en blijkens de daarin voorkomende grammaticale en stilistische eigenaardigheden een zustertaal van het Hebreeuwsch is geweest; b. het Fenicisch, waarvan tal van inschriften (9de tot 5de eeuw v. Chr.) tot ons gekomen zijn, en dat in vocalisatie en syntaxis meer van het Hebreeuwsch afwijkt dan het Moabitisch. De Ammonieten en Edomieten hebben ongetwijfeld evenzeer een verwante taal gesproken, gelijk uit de tot ons gekomen namen blijkt, maar hun taal is voor 't overige ten eenenmale onbekend evenals die der Filistijnen, die, hoewel van indogermaanschen bloede geheel gekanaaneïseerd zijn.

Of Israël van den beginne af Hebreeuwsch gesproken heeft, dan wel of het bij zijn komst in Kanaan zijn eigen min of meer stamverwante taal voor die der Kanaanieten heeft ingeruild, weten we niet, al schijnt het eerste op grond van verschillende overwegingen waarschijnlijker. Alleen dit staat vast, dat de zoogenaamde Kanaanitische glossen, welke we in de in 1887 gevonden Amarna-brieven (15de eeuw v. Chr.) vinden, sterke trekken van verwantschap vertoonen met wat wij Hebreeuwsch noemen.

Door de buiten-bijbelsche Hebreeuwsche geschriften (except dan natuurlijk de Spreuken van Sirach) is duidelijk geworden, dat de schriftvorm van het Hebreeuwsch een groote verandering heeft ondergaan. Het oudste ons bekende schrift is het zoogenaamde OudHebreeuwsche, welke letterteekens meer uit een combinatie van rechte lijnen bestaat. Dit schrift, dat tal van trekken van verwantschap vertoont met het Fenicische en later, zij het gewijzigd, in het Samaritaansche voortleefde, is van nog onbekenden oorsprong. Sommigen denken aan Syrisch-Kanaanitischen oorsprong, waarop dan het Egyptische schrift zijn invloed zou hebben doen gelden, terwijl anderen wijzen naar Babel, Cyprus of Creta. Dit nationale schrift is echter na de ballingschap langzamerhand verdrongen door het verwante Arameesche schrift, dat voor het beschrijven van het steeds meer op den voorgrond dringende papyrus veel geschikter was dan het „Hebreeuwsche schrift", dat altijd nog herinnerde aan den tijd, toen men op steenen en kleitafeitjes schreef. De traditie kent de invoering van dit schrift, dat ze, gedachtig aan vreemde invloeden, „Assyrisch schrift" noemt, aan Ezra toe, die het uit Babel zou hebben medegebracht. Ze vergeet echter, dat een dergelijke verandering niet het werk is van een enkel man, maar van eeuwen, al wordt daarmede allerminst ontkend, dat het voorbeeld en de invloed van Ezra krachtig kunnen hebben medegewerkt aan de invoering van het Arameesche schrift ook voor de canonieke geschriften. Hoelang echter althans de kennis van het oude, nationale schrift onder het Jodendom heeft voortgeleefd, bewijzen wel de hasmoneesche munten en die van Bar Cochba, waarop het oud-Hebreeuwsche lettertype nog gevonden wordt. Zelfs in den tijd van de Misjna kwamen nog bijbelhandschriften in den ouden schriftvorm voor. Toch