is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HEFER — HEGEL

503

de 88 tegenstemmers op 13 Juli 1870 en herhaalde zijn „non placet" op 17 Juli van dat jaar tegenover den paus. Op 18 Juli nam hij niet meer aan de stemming deel. Hefele had uit de officieele stukken aangetoond, dat Honorius, die eerst zich voor het Monotheletisme verklaard had, gefeild had en deswege veroordeeld was. Hij sprak uit: „dertig jaar heb ik naar de onfeilbaarheid gezocht, maar heb ze nergens gevonden". Eerst bleef Hefele bij zijn opinie; maar in 1871 legde hij het hoofd in den schoot. De kerkhistoricus ging onder in den bisschop. Hefele is een kundig kerkgeschiedschrijver geweest. Hij was bijzonder thuis in de oude conciliën. Van hem is het beteekenisvolle werk Konztttengeschtchte, 7 Bde tot het Bazelsche concilie 1440. Hij voltooide het werk niet. Het werd voltooid door Prof. Knöpfler uit Passau en kardinaal Hergenröther uit Rome. Hefele stierf 5 Juni 1893. [ 24.

Heler. I. De naam van één der steden in het beloofde land (Jozua 12:17; 1 Kon. 4:10). — II. Een der nakomelingen van Manasse (Jozua 17 : 2 v.). — III. Een der nakomelingen van Juda (1 Kron. 4 : 6).

Heioffer. In Ex. 29 : 27 wordt bevolen: en gij zult de borst des beweegoffers heiligen, en den schouder des hefoffers, die bewogen, en die opgeheven zal zijn.... Op grond van dezen tekst en omdat o.a. in Lev. 2 : 9 sprake is van het opnemen van een gedenkoffer hebben rabbijnen naast de beschrijving die zij geven van de heilige handeling bij het beweegoffer, ook een dergelijke plechtige ceremoniëele handeling verondersteld en beschreven die zou plaats hebben gehad bij het hefoffer. Zij zou dan hebben bestaan in een opwaarts en naar beneden bewegen van dat offer. Sommige archeologen onder de Christenen zijn hen hierin gevolgd. Het opnemen echter van een hefoffer is volstrekt niet een of andere plechtige handeling bij het brengen van dit offer, want onder zulk een hefoffer heeft men niet anders te verstaan dan het nemen van een deel van het een of ander om dat den Heere te wijden. Daarom wordt het in Jes. 40 : 20 gebruikt zelfs vaneen wijgeschenk dat een heiden offert en in Ezech. 45 : 1 van een stuk land dat den Heere moet worden gewijd tot een heilige plaats en in vs 13 van het deel dat den vorst toekomt van het heilig hefoffer. Het woord hefoffer wordt .in de boeken van Mozes en dan verder in onderscheiden historische boeken, tot in Maleachi toe, gebruikt voor allerlei wijdingen tot den dienst des Heeren, als voor de gave der tienden, der eerstgeborenen, der eerstelingen, ja zelfs voor wat van de bult afgezonderd, verbannen, werd voor den Heere (Ex. 25 : 2, 3; 30 : 13—15; 35 : 5; Lev. 7 : 14; Num. 6 : 20; Deut. 12 : 6; Num. 31 : 41). In dezen laatsten tekst is het bij ons vertaald door het woord heffing; de Leidsche vertaling heeft daarvoor het woord belasting. Doch vooral is sprake van zulk een offer bij het zondoffer (Lev. 4:8); bij het spijsoffer (Lev. 2 : 9) en bij het dankoffer (Lev. 7 : 14 en 32). Ook wordt het deel van het deeg dat den priester toekomt en het deel van het koren op den dorschvloer een hefoffer genoemd (Num. 15 : 17 v.v.).

De schouder die bij het offer der Nazireërsden priesters toeviel draagt ook den naam van hefoffer (Num. 6 : 19 v.v.). Hetgeen gegeven moest worden tot den bouw van den tabernakel; tot de herstelling van den tempel; tot zijn wederopbouw, wordt steeds een hefoffer genoemd, ja wat in het gemeen tot den dienst des Heeren werd afgezonderd draagt schier overal den naam van hefoffer (Ex. 30 : 13; 25 : 2 v.v.; 2 Kron. 31 : 14; Ezra 8 : 25; Neh. 10 : 37, 39; 12 : 44; 13: 5 ; Ez. 20 : 40 ; 44 : 30 ; 45:1, 6, 7, 13, 16; 48 : 8, 9, 10, 12, 18, 20, 21; Mal. 3 : 8). [ 8.

Hefzi-bab, naam der moeder van koning Manasse (2 Kon. 21 : 1).

Hegel, bekend Duitsch wijsgeer. Georg Wilhelm Friedrich Hegel werd 27 Augustus 1770 te Stuttgart geboren. In 1801 liet hij zich als privaat docent in de wijsbegeerte inschrijven aan de universiteit te Jena, maar vanwege de ongunst dér tijden kon hij geen college geven. In 1816 werd hij tot hoogleeraar in de filosofie benoemd te Heidelberg, welke plaats hij in 1818 verwisselde met Berlijn, waar hij in 1831 aan de cholera stierf.

Aan de Berlijnsche universiteit heeft Hegel ontzaglijken opgang gemaakt, misschien als niemand vóór hem. De toevloed van studenten was enorm. Men kon geen goed student zijn of men moest Hegel gehoord hebben. Hegel heeft zich altijd in bizondere mate voor zijn colleges geprepareerd.

Zijn voornaamste door hem zelf uitgegeven werken zijn: Phaenomenologle des Qetstes 1807, Wissenschaft der Logik 1812—1816, Encyclopaedie der philos. Wissenschaften 1817, Grundltnien der Phtlosophte des Rechts 1821. Zijn werken, waarin voor een groot deel zijn collegedictaten zijn opgenomen, zijn verschenen na zijn dood, 1832—1845, in 18 banden. Tegenwoordig verschijnt een nieuwe uitgave bij F. Meiner te Leipzig in de Philos. Bibliothek.

De vorm waarin Hegel zijn werken goot is niet bizonder aangenaam. Hij heeft een eigen terminologie, en wie niet een weinig geschoold is in de Hegelsche termen, begrijpt aanvankelijk niets van hetgeen deze wijsgeer wil. Voor propaedeutische wijsgeerige lectuur zijn Hegels werken daarom niet aan te bevelen. Wie zich in de terminologie van Hegel heeft ingewerkt, zal in de meeste gevallen verstaan wat hij heeft bedoeld.

De invloed van Hegel is in zijn tijd zeer groot geweest. Maar spoedig na zijn dood taande zijn roem. Thans oefent Hegel in Duitschland op wijsgeerig gebied weinig invloed meer uit. Naar verhouding is in Noord-Amerika en in Nederland de werking van Hegel krachtiger gevoeld dan in zijn vaderland. Ten onzent heeft prof. Bolland jaren lang van Leidens katheder de filosofie van zijnen lieven heer Hegel gepredikt en sommigen zijner leerlingen zóó „doorhegeld", dat ze echte „hegelaars" zijn geworden.

Hegels filosofie is in haar wezen rationalisme. Het wezen der dingen is rede. Het Absolute is Vernunft, Rede. Wat er in het Absolute aan willen is, is een modificatie van het denken.

Voorts is het Denken met het Zijn identisch. De Idee is niet iets anderssoortigs dan de werkelijkheid, zit er niet „achter" en staat er