is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

518 HEILIGE

er is gekomen (zie het art. Ingeving, en het art. Theopneustie); vandaar dat Hij Zich zoo nauw bij de Schrift aansluit; Hij sluit zich dan alleen aan bij Zijn eigen • werk (vgl. Bavinck, a. w. I 347 v.; 364 v.; 404; 449v.; 457 v.).

In het bijzonder is het daarbij opmerkelijk, dat Hij, wat de latere teboekstelling der NieuwTestamentische Schrift betreft, door Jezus aan Zijn discipelen werd toegezegd met een drieërlei doel: Hij zou hen indachtig maken alles wat Hij hun gezegd had (Joh. 14 : 26); wij danken er de Evangeliën aan; Hij zou hen alles leeren en in al de waarheid leiden (Joh. 14 : 26; 16:13); de vrucht wordt gezien in de Brieven; Hij zou de toekomende dingen hun verkondigen (Joh. 16 : 13); de Openbaring van johannes bewijst de vervulling ook dezer belofte (vgl A. Kuyper, Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid II, 419, 491).

Wat de glossolalie der Apostelen betreft en die in de eerste gemeenten met andere bijzondere charismata geschonken werd, zij stamde zeker ook uit den Heiligen Geest, maar was een gave van voorbijgaanden aard (Bavinck, a.w. III 566; Kuyper, a.w. II 492 enz.).

Blijvend evenwel was de inwoning des Geestes in Christus' Kerk en het haar ook na het sterven der Apostelen in alle waarheid leiden, waarbij de beslissingen der Kerk, die overeenkomen met het Woord van God, genomen op hare wettige vergaderingen, geacht mogen worden geboren te zijn krachtens Geestesleiding (Joh. 16 : 13; Hand. 15 : 28).

De zonde tegen den Heiligen Geest is de onvergeeflijke zonde. Het is de lastering tegen den Geest. Jezus maakt van haar gewag in één zijner gesprekken met de Farizeën, ons bewaard in Matth. 12 : 25—37. Daar lezen we (vs. 31, 32): „Daarom zeg ik u: alle zonde en lastering zal den menschen vergeven worden, maar de lastering tegen den Geest zal den menschen niet vergeven worden. En zoo wie eenig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des menschen, het zal hem vergeven worden, maar zoo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende". De zonde waarop Jezus hier doelt moet bestaan in een bewuste, moedwillige, opzettelijke lastering van de klaar erkende en toch uit haat en vijandschap aan den duivel toegeschreven openbaring van Gods genade in Christus door den Heiligen Geest.

Men ontmoet in de gemeente niet zoo heel zelden menschen die vreezen de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven te hebben; men kan ze in den regel door een tweevoudig antwoord gerust stellen; door vooreerst op te merken dat er héél wat aan hen gebeurd moet zijn zullen ze die zonde ook zelfs maar künnen bedrijven, en ten andere dat wie met zorg er over vervuld is öf hij ook alzóó kan gezondigd hebben en bedroefd is bij de gedachte dat hij haar mogelijkerwijze bedreven heeft,'zeker ervan kan zijn dat ze niet voor zijn rekening komt. Immers de Schrift handelt over in het wezen der zaak dezelfde zonde ook nog op drie andere plaatsen: Hebr. 6 : 4—8; 10 : 25—29 en 1 Joh.

GEEST

5 : 17, waar deze zonde aangeduid wordt als te zijn een zonde „tot den dood", d.i. één die naar haar karakter onvergeeflijk is. Maar de beide Hebreërplaatsen gewagen ervan dat iemand eerst verlicht moet zijn geweest en de hemelsche gave moet gesmaakt hebben en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn (d. i. eenige gaven des Heiligen Geestes die God in de eerste kerk meedeelde [zie boven], vgl. 1 Cor. 12 : 4 [Kantt.J) en indien hij dan tot het Jodendom terugvalt, den Zone Gods vertreedt en wederom kruisigt (door die kruisiging als daad Zijner beulen te verheerlijken en alzoo geheel voor zijn rekening te nemen) en openlijk te schande maakt en het bloed des (nieuwen) Testaments, dat hem heiliging meldde, onrein acht en den Geest der genade smaadheid aandoet, dan kan hij niet weer tot bekeering worden gebracht. Het gebed voor dezulken, zegt Johannes, moet dan ook maar niet meer geschieden, want het is toch Vruchteloos. Deze zonde heeft klaarblijkelijk haar bedrijver volkomen verhard.

Daarom omschrijft Prof. Bavinck (a. w. III, bl. 157) haar wezen geheel naar de Schriftenen. derhalve naar waarheid aldus — en de vreeselijkheid dezer beschrijving doe van haar sidderen, maar kan tegelijk bemoedigen zulken die zich aan dergelijke schandelijkheden toch in het geheel niet schuldig weten, weshalve zij dan niet langer behoeven te vreezen deze onvergeeflijke zonde te hebben begaan —: „De lastering tegen den Heiligen Geest bestaat dus niet in eenvoudig ongeloof, noch in het in 't algemeen weerstaan en bedroeven van den Heiligen Geest, noch in de loochening van de persoonlijkheid' óf Godheid des Heiligen Geestes, noch in het zondigen tegen beter weten In en ten einde toe, zonder meer. Zij is ook niet een zonde tegen de wet alleen, maar bepaald ook tegen het Evangelie en wel tegen het Evangelie in zijn duidelijkste openbaring. Er gaat dus veel aan vooraf, objectief een openbaring van Gods genade in Christus, de nabijheid van Zijn Koninkrijk, een krachtige werking des Heiligen Geestes, én subjectief een verlichting en overtuiging des verstands, zóó levendig en krachtig, dat men de waarheid Gods niet loochenen kan, dat men ze als Goddelijk erkennen moet. En dan bestaat zij zelve niet in een twijfelen aan of eenvoudig ontkennen van die waarheid, maar in een loochening, die tegen de overtuiging des verstands, tegen de verlichting des gewetens, tegen de inspraak van het hart ingaat; in een welbewust, moedwillig en opzettelijk toeschrijven van hetgeen klaar als Gods werk erkend is, aan den invloed en de werking van den Satan, d. i. in een besliste lastering van den Heiligen Geest, in een met moedwil verklaren dat de Heilige Geest de geest uit den afgrond, dat de waarheid de leugen, dat Christus Satan zelf is. Haar wortel is dus de welbewuste, opzettelijke haat tegen God en het als Goddelijk erkende; haar wezen is het zondige in zijn hoogste openbaring, de voltooide, de voleindigde revolutie, het zetten van God op de plaats van Satan en van Satan op de plaats van God; haar karakter is niet menschelijk meer maar demonisch. Al is het ook dat de duivelen deze zonde in dezen be-