is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

526

HEIMDALL — HEIMELIJKE EN OPENBARE ZONDEN

mensch aan zijn onmacht; juist opdat de mensch die niet kan en toch moet (vgl. Heidelbergsche Catechismus, afd. IV) het gebed vermenigvuldiges „Leid mij op den eeuwigen weg" (Ps. 139:24). De droeve keerzijde is de onwil der ongeloovigen om op dien weg Gods te wandelen; maar het bitter gevolg daarvan is dan ook dat niet slechts zij op hun weg vergaan, maar zelfs hun weg vergaat met hen (Ps. 2 : 12, grondtekst). Zij vergaan wat betreft hun weg. Er is eenmaal voor hen geen weg meer. Slechts het neerstorten in den afgrond van het verderf.

Maar de wegen van den Christen zijn „in Christus" (1 Cor. 4 : 17). Christus is voor hen niet slechts de weg tot Qod op welken Hij-zelf ons ook tot God toeleidt (Hebr. 7 : 25; Rom. 5 : 2 enz.): maar al onze wegen, zullen ze als stukken van den heilsweg herkend kunnen worden, moeten ook Christelijke wegen zijn, d.i. wegen waarop wandelende we de Christelijke deugden ten toon spreiden: ootmoed, nederigheid, zelfverloochening, toewijding, liefde, gehoorzaamheid enz.

Overigens is de heilsweg voor een Christen de weg des geloofs; de wet des geloofs, waarvan Paulus spreekt in Rom. 3:27 is geen andere dan op den weg des geloofs tot God te komen en in dien weg vrede te vinden (Rom. 8:1) en het leven te hebben (Rom. 1 : 17).

Het Schriftuurlijk beeld van den weg is een prachtig beeld; vooral in 't Oosten met zijn woestijnen en berglanden en gebrek aan cultiveering der veelszins woeste natuur was een weg zoo zeldzaam, van zoo hooge waarde en derhalve voorwerp van zoo groote waardeering voor dengene die een gebaanden weg vond voor zijn voet; het voorrecht „een weg" te hebben of te vinden sprak den Oosterling veel meer toe dan ons die aan een uitgebreid weionderhouden wegennet in onze beschaafde landen van der jeugd aan gewoon zijn; vandaar dat het de bedoeling Gods kan zijn met zoo menige uitspraak in Zijn Woord dit te willen zeggen: Ik wil u in het geestelijke evenzeer als, ja nog meer dan in 't natuurlijke, in verrukking brengen daarover dat gij ook hier een weg vindt, een weg dien Ik voor u heb gemaakt en die ook zelfs ten hemel leidt I [41.

Heimdall, Noordgermaansche godheid, die alles ziet, met een scherp gehoor en een ver klinkenden tooverhoorn, de godheid van alle begin.

Heimelijke en openbare zonden. Bij de

uitoefening der kerkelijke tucht moet er onderscheid gemaakt worden tusschen heimelijke en openbare zonden. Dit onderscheid is door Calvijn ontleend aan Matth. 18 : 15—17: „Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft", enz. Hij vatte de uitdrukking „zondigen tegen u" niet op in den zin van een persoonlijke beleediging, maar „met uw medeweten, zoodat niemand anders er kennis van heeft", dus „ter onderscheiding van verborgene en openbare zonden". Nu komt het ons voor, dat Christus met „zondigen tegen u" wel op een persoonlijke beleediging doelde. Zoo oordeelen ook Meyer en Zahn. Hij stelde hier drie instantiën: le de persoonlijke vermaning onder vier oogen, vs. 15; 2e de vermaning met

één of twee getuigen, vs. 16; en 3e de kerkelijke vermaning, vs. 17. Maar al is dat zoo, dan bedoelde Hij toch, dat een persoonlijke beleediging ook in eerste en tweede instantie als een heimelijke en eerst in derde instantie als een openbare zonde behandeld moet worden.

Naar denzelfden regel van Matth. 18:15—17, moeten volgens art. 72 der Kerkenordening alle heimelijke zonden in leer en leven behandeld worden: „Wanneer dan iemand tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels zondigt; zooverre als het heimelijk is, en geene openbare ergernis gegeven heeft, zoo zal de regel onderhouden worden, welke Christus duidelijk voorschrijft in Matth. 18". Aanvankelijk verstond men onder die heimelijke zonden alleen zonden in het leven (Convent te Wezel, 1568), maar de Synode van Embden, 1571, nam er ook de dwaling in de leer bij op. De moeilijkheid is echter, welke zonden „tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels" heimelijk en welke openbaar zijn. Was bijvoorbeeld het pardon halen bij de Roomsche overheid door deelnemers aan den beeldenstorm in 1566, toen in 1567 Alva kwam en velen uit vrees in het geheim vergiffenis vroegen; en was het heimelijk zoeken van de huwelijksbevestiging en van den doop bij de Roomsche priesters, een heimelijke of openbare zonde? Op deze en dergelijke vragen, antwoordden de kerken zeer in het algemeen: een zonde is openbaar, wanneer zij a. in het openbaar voor een iegelijk begaan is; b. op een plaats, die van nature publiek is, en door hardnekkigheid des zondaars tot openbaarheid komt; en c. door haar gruwelijkheid der openbare bestraffing waardig is. Bijvoorbeeld: de zonde van David tegen Uria en van Ananias en Saffira waren eerst wel verborgen, maar werden spoedig openbaar en zijn als openbare zonden bestraft. Deze algemeene omschrijving van de Synode van Dordrecht, 1578, bevredigde echter niet allen. Men wilde gaarne een „distincte omschrijving", dus een soort lijst, waarop duidelijk de verborgen en openbare zonden stonden aangegeven. Maar natuurlijk, dat ging niet. De Kerkenordening is geen strafwetboek, waarin de zonden rubrieksgewijze worden opgesomd. Slechts geheel in het algemeen kan men ervan zeggen: heimelijke zonden zijn zonden, die in het geheim bedreven en tot nog toe slechts aan weinigen bekend zijn, en dus geen openbare ergernis gegeven hebben.

Nu bepaalt artikel 73 der Kerkenordening uitdrukkelijk : „De heimelijke zonden, waarvan de zondaar door één, en in 't bijzonder, of voor twee of drie getuigen vermaand zijnde, berouw heeft, zullen voor den Kerkeraad niet gebracht worden." Wat tevoren reeds geldt, dat niemand de verborgen zonden zijner medemenschen mag publiceeren, of die zijner medebroeders en zusters aan den kerkeraad mag aanbrengen, alvorens naar Matth. 18 : 15—17 de vermaningen aangewend te hebben, geldt evenzeer daarna, want de heimelijke zonden, die heimelijk verzoend zijn, mogen niet tot den kerkeraad gebracht worden. Als de zoen gesloten is, is alle reden voor tuchtoefening vervallen. Een moeilijke vraag is, of een ambtsdrager of een lid der kerk de