is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HERBERGZAAMHEID — HERBERTS

555

tevens tot voorraadschuur, terwijl de bovenvertrekken dienen tot verblijf van de reizigers. De karavansera's zijn voorzien van groote waterreservoirs of van goede putten of van bronnen. [ 8.

Herbergzaamheid, (Grieksch: filoxenia liefde tot den vreemdeling of gast) is geheel in het algemeen de deugd der gastvrijheid of het vriendelijk onthalen en herbergen van gasten en vreemdelingen. In het Nieuwe Testament wordt er niet mede bedoeld, de gewone gastvrijheid of behulpzaamheid, die uit het gebod der algemeene naastenliefde voortkomt, en in de burgerlijke samenleving onder de menschen, ook tusschen geloovigen en ongeloovigen onderling, wel gevonden wordt, maar de Christelijke gastvrijheid, die uit de bijzondere genade, én, nader bepaald, uit het gebod der Christelijke liefde, Joh. 15 : 12, 17, voortkomt, en dan aan de vreemde broeders en zusters in het geloof bewezen werd.

In de eerste eeuwen der Christelijke kerk waren de reizigers in het algemeen en de geloovige vreemdelingen in het bijzonder, veel meer van de gastvrijheid d. i. van de goede gezindheid en van de herbergzaamheid der stads- en dorpsbewoners afhankelijk dan thans. Gastvrijheid kon wel veel last veroorzaken, maar het was een eere en bracht den gastheer menigmaal ongedacht met hooge gasten in aanraking. Jezus zelf dringt in zijn profetische rede over den oordeelsdag op de herbergzaamheid, d. i. op het betoonen van deze Christelijke gastvrijheid, dan ook met nadruk aan: „Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijne rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld; want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdelingen gij hebt Mij geherbergd"; Matth. 25 : 34—35. Hij bedoelde hier een zoodanige Christelijke gastvrijheid, welke niet slechts aan Hem persoonlijk, maar in Zijne geloovigen bewezen werd, want Hij verklaarde nader: „voorzooveel gij dit een van deze Mijne minste broeders gedaan hebt, azoo hebt gij dat Mij gedaan", Matth. 25 : 40. Al deze liefdewerken waren wel geen verdienende oorzaken der zaligheid, maar bewijzen van het geloof, door de liefde werkende. De apostel vermaant dan ook in Hebr. 13 : 2: „Vergeet de herbergzaamheid niet, want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd", zooals Abraham aan de eikenbosschen van Mamre, Gen. 18 : 1; en als Lot te Sodom, Gen. 19 : 1. De Christelijke gastvrijheid brengt u soms ongedacht met hooge gasten, die in het Koninkrijk Gods een voorname plaats innemen, in aanraking.

De herbergzaamheid is zelfs van zoo groote beteekenis, dat zij door Paulus in 1 Tim. 3 : 2 als een der vereischten voor de verkiezing tot opziener wordt aangegeven: „Een opziener dan moet onberispelijk zijn, ééner vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leeren". Hij moet „gaarne herbergende" zijn d. i. gastvrij zijn, vooral jegens de vreemde broeders en zusters in het geloof. En al is in onzen tijd deze reden door allerlei

gelegenheid om op reis te kunnen overnachten vervallen, de algemeene strekking van deze deugd blijft altijd van kracht, zooals Petrus de geloovigen in de verstrooiing vermaande: „Zijt herbergzaam jegens elkander zonder murmureeren" (1 Petr. 4:9). [11.

Herberts (Hermannas) is, misschien in het jaar 1540, te Grol uit Roomsche ouders geboren. Later werd hij in het Cisterciënser klooster Buurlo in Westfalen opgenomen, waar hij reeds in 1564 reformatorische geschriften begon te onderzoeken met goedkeuring van zijn prior Arend Pronstyck, die van de beginselen der Hervorming niet afkeerig was. In 1566 verliet hij het verblijf der monniken, werd eerst pastoor te Winterswijk, week in 1568 voor Alva uit, werd daarna Gereformeerd predikant te Wezel en in Februari 1577te Dordrecht. Hier trok zijn prediking vele menschen, dank zij zijn „groote capaciteyt ende lofwaerdighe bespraektheid", zoodat andere gemeenten hem te leen vroegen. Ook te Gouda heeft hij op deze wijze in het begin van 1578 eenige maanden gepredikt. Vooral hier was hij zeer geliefd. Zijn optreden te Gouda had veler belangstelling in het Woord Gods gewekt, zoodat men er alle moeite deed hem nog eens te leen te krijgen. Herberts zelf toonde zich echter weinig genegen om aan Gouda's roepstem gehoor te geven. Hij „begheerde sich van sijnder ghemeynte niet te scheyden", tenzij de classis van Dordrecht het hem opdroeg.

Al spoedig werd Herberts in de Merwede-stad niet voor zuiver gehouden. Men bemerkte, dat hij „wat wanckelbaer stont in eenige punten der leere", maar men zag dit bij den geliefden predikant gaarne over het hoofd. Men oordeelde aanvankelijk, dat het uit onkunde voortkwam of uit het lezen van gevaarlijke boeken. Zijn beide ambtgenooten stelden hem een samenspreking voor, maar deze werd door Herberts afgewezen.

Een gemakkelijk man is hij niet geweest. Hij was stijfhoofdig en niet dan gedwongen gaf hij toe. Eerst kwam hij in conflict met Ds. Jan van Campen, maar spoedig werd een verzoening getroffen (6 Mei 1578). Erger werd het evenwel, toen Herberts in 1582 geheel op eigen gezag de catechismusprediking nu en dan naliet en in die beurten vrije stoffen behandelde. Ook leerde hij kort daarop, dat een Christen in dit leven tot „volmaaktheid" komen kon, terwijl hij de belijdenispredikatie vóór het nachtmaal wegliet, omdat hij een vrijen tekst „duysentmael" beter vond. Terecht werd hij over deze eigenmachtige dingen vermaand. Ook volgde een broederlijke samenspreking, maar de verwijdering werd nog grooter, daar Herberts ook de wezenlijke inwoning van Christus in de kinderen Gods leerde en geen onderscheid maakte tusschen het eeuwige Woord Gods en het gepredikte Woord, zoodat hij niet ten onrechte van David-Jorisme werd beschuldigd. De kerkeraad verbood Herberts nu den preekstoel en gaf van het voorgevallene kennis aan de Regeering. Niet lang daarna werd hij in zijn bediening door den Dordtschen Magistraat geschorst (hoewel tegen den zin van een groot deel der gemeente), omdat hij bevonden was in eenige punten des geloofs van een ander gevoelen te zijn dan de leer der Gereformeerde