is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HERVORMDE KERK

575

geheel onprotestantsChe hiërarchie te staan, die haar opperste macht niet ontleende aan den Koning der kerk, maar aan den vorst des lands. Christus werd als Hoofd der gemeente onttroond, en koning Willem I eigende zich in Diens plaats het opperbestuur der kerk toe, met onder hem werkzame lagere besturen. Hiermee ging de vroegere autonomie der kerken geheel teloor, al bleven de kerkeraden schijnbaar wat zij waren, en al behield men de oude namen van synode en Classis. Was de invoering dezer Organisatie alzoo in strijd met de geschiedenis, het recht en het wezen der kerken, ze was ook staatsrechtelijk ongeoorloofd, want de Grondwet van 1815 gaf er den koning letterlijk niet het minste recht toe. Koning Lodewijk Napoleon had een dergelijke bevoegdheid aan de Constitutie zijner dagen nog kunnen ontleenen. En inderdaad liep reeds onder zijn regeering een gerucht, dat men plan had, om in de Gereformeerde kerk onderscheidene hoogere en lagere orden op te richten, bisschoppen, en zelfs een Nederlandsch Hervormd aartsbisschop, te benoemen. Maar wat koning Lodewijk Napoleon met gouvernementeele bevoegdheid niet aandurfde, dat waagde nu een Oranjevorst tegen zijn bevoegdheid in: Koning Willem I vervormde de oude Gereformeerde kerken dezer landen naar het Anglicaansch-Luthersch model, dat hij gedurende zijn ballingschap in Engeland en Duitschland had gezien. Over de vraag, of de koning bevoegd was om de kerk aan deze Organisatie te onderwerpen, bestaat onder rechtsgeleerden weinig verschil van gevoelen. Groen van Prinsterer en Thorbecke, Gratama en Van Lijnden Van Sandenburg, Hingst en Van Houten, De Savornin Lohman en Heineken, Rahusen en Van Apeldoorn — hoe uiteenloopend ook in staatkundige en godsdienstige overtuiging — komen allen toch hierin -met elkaar overeen, dat de koning tot wat hij deed, geen recht had. Nog afgezien van haar inhoud, verdiende de nieuwe Organisatie dus reeds afkeuring om de onwettige wijze waarop zij tot stand is gekomen. Maar de inrichting zelve dezer Organisatie droeg bovendien een geheel ongereformeerd karakter. Tevoren verstond men onder synode een samenkomen van alle kerken door middel van haar af gevaardigden, die aan lastbrieven gebonden waren. Nu gaf men dezen naam van synode aan een besturend college van enkele personen, over wie de gemeenten niets te zeggen hadden, en die dan ook niet meer volgens lastbrieven zouden stemmen. Dit nu gaat lijnrecht in tegen het levensbeginsel der Gereformeerde kerk. Zij is vrij. Zij staat alleen onder haar Hoofd, Jezus Christus, Die Zijn bloed heeft gestort om Zich de gemeente als Zijn eigendom te verwerven. Hij heeft in de gemeente leeraars en ouderlingen als Zijn ambtsdragers aangesteld, maar die dan ook juist voor de uitsluitende heerschappij van Koning Jezus door Zijn Geest en Woord hebben te waken. Bestuur over de gemeente, buiten en boven deze ambtsdragers kent de Gereformeerde kerk niet. Jezus Christus bestuurt haar. En daarom doen zulke hoogere besturen niet minder dan zich stellen in de plaats van Christus. Het samenkomen van de kerkelijke vergaderingen, zooals

zij tot dusverre krachtens eigen recht hadden bestaan, werd niet meer gedoogd. En van tegenstand tegen de in het geheim gereed gemaakte koninkiijke Organisatie kon wel nauwelijks sprake zijn, aangezien dit feitelijk neerkwam op verzet tegen den koning. Toch was het nieuwe Reglement ternauwernood bekrachtigd, of allerwegen riep men over gevaar voor de rechtzinnigheid, en openlijk werd er gebeden om verijdeling van de aanslagen tegen Gods kerk. Reeds den 7den Maart 1816, dus twee maanden na de afkondiging van het Koninklijk Besluit, bracht de classis Amsterdam haar bezwaren ter kennisse des konings, in een belangrijke, hoewel door den diplomatieken toon der voordracht weilicht minder krachtige Memorie. Zeer terecht stelde zij de vraag, waarom de sedert meer dan twee eeuwen gevestigde kerkelijke vergaderingen niet waren opgeroepen, om, indien veranderingen in de kerkenorde noodig waren, deze onder approbatie des konings te maken. Vervolgens brengt zij bezwaar in tegen de groote macht der synode, wier leden, vlak tegen het oude kerkrecht in, stemmen zouden, zonder aan lastbrieven gebonden te zijn. En het getuigt van helder inzicht bij deze classis, ja het klinkt schier als een profetie, wanneer zij deze macht des te gevaarlijker noemt, omdat ze door weinigen uitgeoefend, licht in een soort van pauselijke of bisschoppelijke heerschappij uitloopen kon. Verder spreekt de Classis haar vrees uit, dat deze synode wel eens de Formulieren en de Liturgie zou kunnen veranderen. Eindelijk voorziet zij, dat er twee partijen onder de leeraars zullen ontstaan, die men als gehoorzame en tegenstrevige onderdanen zal onderscheiden ; wat tot groote verdeeldheid, ja tot scheuring zal kunnen leiden. Op inderdaad despotieke wijze werd echter dit gewichtig protest der Amsterdamsche classis terzijde gelegd. In een hooghartig stuk antwoordde de CommissarisGeneraal, dat de leeraars bezoldigd werden uit 's lands kas, en zich dus in alles naar den wil van hun Souverein moesten schikken. Deze stelde zich de zorg voor het welzijn der kerk ten plicht. Voor de Gereformeerde leer behoefde men niet bevreesd te zijn. Want de synode werd niet opgeroepen om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de kerk te besturen, terwijl volgens artikel IX van het Algemeen Reglement, de handhaving van de leer der Hervormde kerk het hoofddoel moest zijn van éllen, die in onderscheiden betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast waren. Voor het overige bleven de adressanten vrij, hun bezwaren nader uiteen te zetten, maar dan bij de aanstaande synode, door het koninklijk Reglement ingesteld. Doch tevens werd herinnerd, dat de classis den 31 sten Maart volgens de orders van Z. M. zou ophouden te bestaan, en als zoodanig niet weder bijeenkomen. Weet men nu daarbij, dat dit antwoord, den 28sten Maart geteekend, niet vóór den 31 sten Maart in handen der classis kwam, terwijl het nieuwe Reglement den lsten April kracht van wet kreeg, dan ziet men dat dit neerkwam op de vergunning aan de classis Amsterdam om na haar dood over haar doodslagers te mogen klagen, zooveel zij maar wilde.