is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HODSI — HOED

601

deerde. Reeds in 1822 werd hij door de Synode zijner kerk tot hoogleeraar in de Bijbelsche en Oostersche vakken benoemd. Hij wierp zich met alle macht op de studie van de Oostersche talen en gaf college in het Nieuwe Testament, den oorsprong der taal en de hermeneutiek. In 1825 stichtte hij de nog steeds geregeld verschijnende periodiek The Princeton Review, die ook ten onzent een zeer goeden naam heeft en waarin hij talrijke artikelen plaatste. Van 1826 tot 1828 vertoefde hij in Europa en volgde hij voorlezingen te Parijs, te Halle (waar hij Gesenius en Tholuck leerde kennen; met Tholuck bleef hij zijn verdere leven zeer bevriend) en te Berlijn, waar hij omging met Neander en Hengstenberg. Tot groote blijdschap van zijn vaderlijken vriend prof. Alexander keerde hij uit Europa terug „zonder in deze giftige atmosfeer met het Rationalisme besmet te zijn". Meer nog. Warm voelde hij veeleer voor het Gereformeerde belijden en daarvoor trachtte hij bij zijne leerlingen geestdrift te wekken. Ofschoon hij jarenlang veel hinder had van een letsel aan zijn rechterbeen, beschikte hij over een groote werkkracht. Behalve voor studie, colleges en onderwijs in de Christelijke religie in de aanvangsklasse van het Seminarie vond hij nog tijd voor preeken en voor deelneming aan het kerkelijk leven. In 1834 werd hij door het Rutgers-College, New Brunswick, N. J., eershalve tot doctor in de theologie gepromoveerd. In 1840 verwisselde hij van vakken. Hij doceerde van nu voortaan de systematische theologie. In 1877 legde hij zijn ambt neer en werd zijn zoon A. A. Hodge zijn opvolger. Hij stierf den 19den Juni 1878. Bij zijn onderwijs stond Hodge beslist op het standpunt van de Gereformeerde belijdenis. Zijn colleges werden door de studenten gegeprezen om hun helderheid, de overeenstemming met de Heilige Schrift en de bezielde voordracht. Toen hij reeds zeventig jaar was, bood hij de vrucht van zijn onderwijs in de dogmatiek aan in zijn Systematic Theology, waarvan in 1871/3 de eerste en in 1883/84 een nieuwe uitgave verscheen. Het zijn drie kloeke boekdeelen, waaraan nog een Index van 81 blz. toegevoegd werd. Het boek is niet in NoordAmerika maar bij Thomas Nelson te Londen en Edinburg verschenen. Deze dogmatiek ademt den geest van Calvijn en dien van de Synode van Westminster. Na een Inleiding, waarin hij handelt over de methode, de theologie, het Rationalisme, het Mysticisme en het Roomsche en Protestantsche standpunt tegenover de Heilige Schrift, deelt hij de dogmatische stof aldus in: theologie, anthropologie, soteriologie en eschatologie. Hij toont in deze uitgebreide en dege studie uitnemend op de hoogte te zijn van de nieuwere literatuur, maar doordat hij blijkbaar niet altijd rustig en nauwkeurig las, heeft hij zich bij 't weergeven van de opinie van anderen wel eens vergist. In Noord-Amerika verscheen dus in de 19e eeuw 't eerst een Gereformeerde dogmatiek, die niet bij de oude schrijvers staan bleef maar verdere ontwikkeling aanbood en haar standpunt bepaalde tegenover de theologische richtingen, die in Schleiermacher eeren den reformator der theologie. Kuyper schreef

met groote waardeering over dit helder geschreven standaardwerk in zijn belangrijke rede: De Hedendaagsche Schrlftcritiek, blz. 63, noot 68. Dankbaar gewaagde ook Prof. Dr J. Woltjer er van, hoeveel hij aan het „doorwerken" van deze dogmatiek te danken gehad had. In mijn studententijd werd het door meer dan een discipel der Vrije Universiteit ijverig bestudeerd. Met nadruk betoogt Hodge (I, blz. 164/65), dat we alleen dan de feilloosheid van den Bijbel kunnen vasthouden, als we belijden, dat bij de inspiratie der Schriften de zorg des Heiligen Geestes ook ging over de woorden, waarin het geopenbaarde werd verklankt. „The very form in which the doctrine of inspiration is taught in the Bible, assumes that the organs of God in the communication of his will were controlled by Him in the words which they used." Merkwaardig is ook, dat hij nog voor Kuyper brak met de oude mechanische opvatting van de inspiratie en de organische bepleitte, blz. 156/57. „The inspired penmen wrote out of the fulness of their own thoughts and feelings, and employed the language and modes of expression which to them wert the most natural and appropriate. Nevertheless, and none the less, they spoke as they were moved by the Holy Ghost and their words were his words."

Voorts zagen van zijn hand het licht: Commentaren op den brief aan die van Rome, Efeze en Corinthe. Ten gebruike bij het Zondagsschoolonderwijs schreef hij een boekje De weg des levens, hetwelk door het Godsdienstig TractaatGenootschap te Londen nagedrukt is en zelfs in de taal, die in Hindustan gesproken wordt, is vertaald. Ik stipte reeds aan, dat Hodge ook zijn aandacht wijdde aan het kerkelijke leven. Hij behoorde, evenals zijn ambtgenooten, tot de „Old School Presbyterians" en hij toonde in zijn 1839 verschenen boek Constitutional History of the Presbytérian Church in the United States overtuigend aan, dat de Presbyteriaansche kerk in Amerika niet afstamde van de Congregationalisten, maar dat zij rechtstreeks uit Schotland in Amerika overgeplant was. — Ook bepleitte hij de meening, dat de kerk geroepen is de leer te handhaven en tucht te oefenen over leer en leven, maar de tucht mocht niet geoefend over afwijkende opinie's, waardoor de leer der kerk niet „geïrriteerd" werd. Wanneer hij op een synode zijner kerken aanwezig was, werd aan zijn woord groot gewicht toegekend. [ 25.

Hodsi (2 Sam. 24:6), waarschijnlijk de vlakte, welke zich uitstrekt ten Zuiden van den Hermon, en ten Oosten van Gilead.

Hoë von Hoenegg (Matthias), geboren 1580, f 1645, streng Luthersch theoloog, heftig tegenstander van het Calvinisme, schrijver van een commentaar op de Openbaringen van Johannes.

Hoed. Zóó wordt genoemd: I. de tulband, of muts in tulbandvorm van den hoogepriester (Ex. 28 : 4, 37, 39; 29 : 6; 39 : 28, 31; Lev. 8:9; 16 : 4); deze schijnt de gewone priestermuts te zijn geweest, maar bovendien van een hyacinth-kleurige stof omwonden; van voren, boven het voorhoofd, was daaraan een dunne plaat van zuiver goud vastgemaakt, waarop de woorden „Heiligheid den Heere" waren ge-