is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HONORIS CAUSA - HOOFDELIJKE OMSLAG

631

mond. Dat honig hoog geschat werd en tot de aanzienlijkste geschenken behoorde, blijkt uit Gen. 43 : 11; ook was het reeds vroeg een belangrijk handelsartikel (Ezech. 27 : 17). Geen geringe lofspraak was het derhalve, dat het Joodsche land genoemd werd een land, vloeiende van honig (Ex. 3:8 en 17; Deut. 6 : 3). Het schijnt, dat de Israëlieten in Palestina niet aan bijenteelt hebben gedaan, maar dat al de honig, dien het land opleverde, honig van wilde bijen is geweest. Onze kantteekenaren maken bezwaar, om aan het woord honig in 2 Kron. 31 : 5 de beteekenis toe te kennen van bijenhonig, en meenen, dat men hier moet denken aan dadels of andere zoete boomvruchten. Misschien zou men hier dan even goed kunnen denken aan druivenhonig of plantenhonig, die verkregen werd door versche druiven, vijgen, dadels, enz. uitte koken tot een stroopachtige vloeistof, en die nog tegenwoordig uit het Zuiden van Palestina veel uitgevoerd wordt naar Egypte. [ 31.

Honoris causa, wil zeggen: eershalve. Men spreekt van iemand die honoris causa een titel ontvangt, bijv. tot doktor gepromoveerd wordt. Hij ontvangt dan den titel van een universiteit of faculteit buiten den gewonen weg van examinatie, alleen wegens zijn wetenschappelijke bekwaamheden, zooals die door zijn geschriften of Bndere prestaties aan den dag getreden zijn, of om andere redenen. [ 28.

Honorius. Naam van een keizer, zoon van Theodosius I geboren 384 n. Chr. 405 keizer van het West-Romeinsche rijk.

Voorts de naam van vier pausen, waaronder: a. Honorius I 625—638 die in den z.g. „monotheletischen strijd" de zijde koos van den patriarch Sergius van Constantinopel, die één wil in Christus leerde, en na zijn dood 680 nog door het Concilie van Constantinopel als ketter veroordeeld werd. b. Honorius II 1124—'30. Onder dezen paus stelde het Concilie van Toulouse vast, dat geen leek het Oude of Nieuwe Testament lezen mocht; hoogstens mochten de Psalmen gelezen worden, en dan niet in de landstaal. [ 28.

Hoofd. In het gewone spraakgebruik het bovenste gedeelte van het lichaam met gezichts-, spraak- en gehoor-, smaak- en reukorgaan; het voornaamste gedeelte van het lichaam, waarin het denkend verstand zijn zetel heeft. In overdrachtelijken zin beteekent het de eerste, de voornaamste in een kring van personen, bijv. van een volk, van een gedeelte van het volk. (In de Heilige Schrift: hoofden van stammen). Voorts spreekt men van het hoofd van een Staat, van een leger, van een gezin, van een school, van een partij, om den leider, den bestuurder aan te duiden. In de Heilige Schrift wordt van Christus gesproken als het hoofd van de gemeente, die zijn lichaam is, en in analogie daarmede van den man die het hoofd is der vrouw. Een enkele maal vindt men in de Schrift het woord ook gebezigd bij onpersoonlijke dingen (Ps. 24: heft uwe hoofden op, gij poorten). [ 28.

Hooirïbrleven van Paulus is een naam, dien door de Tübingsche School gegeven werd aan de brieven aan de Romeinen, de Corinthiërs en de Galatiërs. Men meende, dat dit de eigen¬

lijke echte brieven van Paulus waren, uit welke Paulus' gedachten konden worden opgemaakt en dat men uitgaande van deze hoofdbrieven de waarde en zelfs de echtheid der andere brieven kon beoordeelen. In den grond der zaak is het geheel willekeurig, voor 't minst subjectief, juist de vier genoemde tot „hoofdbrieven" te verklaren. [17.

Hoofdelijke omslag. De hoofdelijke omslag is een gemeentelijke belasting, waarbij ieder belastbaar ingezetene, hoofd voor hoofd wordt aangeslagen voor een evenredig aandeel in de geheele som, die opgebracht moet worden. Van het burgerlijk terrein is deze omslag in later tijd door vele kerken overgenomen. Vroeger werden de inkomsten der kerk meestal verkregen door kerkcollecten en zitplaatsengelden. Maar in later tijd .heeft men daarnaast ook de hoofdelijke omslag of de vaste contributie ingevoerd; hier en daar zijn de kerkcollecten en zitplaatsengelden zelfs afgeschaft en door den hoofdelijken omslag vervangen. Dit is geoorloofd mits het wettelijkverplichtend karakter, dat de burgerlijke gemeente-belasting draagt, op kerkelijk gebied niét wordt overgenomen. Een kerkelijke hoofdelijke omslag mag alleen het karakter dragen, dat de kerkeraad adviseert over wat de aangeslagene z. i. behoort op te brengen.

In het Oude Testament schreef de Heere zelf de hoeveelheid en het bedrag der eerstelingen en der tienden, welke Israël den Heere moest offeren voor Zijn dienst, wel voor. Zij moesten de „garf der eerstelingen van den oogst tot den priester brengen" (Lev. 23 : 10, 20). Het eerstgeborene van een beest, hetzij os of kleinvee, van een koe, een schaap of geit was des Heeren (Lev. 27:26; Num. 18:15 v.v.). Ook alle tienden van het zaad des lands, van de vrucht van het geboomte waren des Heeren, zij waren den Heere heilig (Lev. 27 : 30; Num. 16 : 25 v.v.). Maar afgedwongen werden zij van geen enkelen Israëliet. Wie ze niet bracht, werd niet wettelijk gestraft. Zij waren een religieuze verplichting, een geestelijke schatting, waaraan vrijwillig voldaan moest worden. Tot den nalatige kwam de Heere alleen met geestelijke vermaningen (MaL 3 : 10); en, zoo dat niet baatte, met geestelijke dreiging (Hagg. 1 : 9).

Wanneer nu reeds onder het Oude Testament de eerstelingen en tienden vrijwillig, uit den drang der liefde tot God moesten gebracht worden, hoeveel te meer dan niet in het Nieuwe Testament ? Wel blijft ook hier de geestelijke en zedelijke verplichting drukken. De gemeente moet zelf in het onderhoud harer leeraren en van haar kerkedienst voorzien. Maar de Heere schrijft in het Nieuwe Testament niet eens meer het bedrag der bijdrage voor. Dat was voor Israël noodig, omdat het geestelijk nog een kind was, en onder de voogdij der wet stond, evenals een vader ook nu nog wel tot zijn kind zegt, hoeveel het in de collecte moet geven; maar nu de gemeente mondig is, laat de Heere het aan haar over, vrijwillig het door haar verschuldigde bedrag te bepalen. Deze beide beginselen van plicht en vrijwilligheid moeten ook bij de bepaling van de wijze, waarop een kerk haar inkomsten samenbrengt, vastgehouden worden.