is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOGEPRIESTER

635

waad mocht ingaan in het Allerheiligste (Lev. 16). Hij kon dan ook slechts krachtens zijn ambt verzoening doen, niet uit oorzake van de heiligheid van zijn persoon (Hebr. 5 : 3; 7 : 26—28). Zijn persoon en dienstwerk wezen heen op den eenigen Hoogepriester naar de ordening van Melchizedek (Hebr. 9 : 7—10, 13; 10 : 1—22; Hebr. 7 : 17—28).

Vooral de wijding tot het ambt, met de plechtigheden die daarbij plaatsgrepen en het hoogepriesterlijk gewaad dat hem werd aangetrokken gaf uitdrukking aan de hooge waardigheid van zijn ambt.

De wijding van ASron tot hoogepriester en diens zonen tot priesters wordt beschreven in Exodus 29. Deze plechtigheid nam zeven dagen in beslag (vs. 30, 37). Bij de beschrijving van deze plechtigheid, waarvoor ook nog zij verwezen naar Ex. 40 : 12—15 en Lev. 8 : 1—36, wordt geen onderscheid gemaakt tusschen de wijding van Aaron tot hoogepriester en van zijn zonen tot priesters. Bij deze wijding worde de aandacht geschonken aan twee groepen vanbeteekenisvolle handelingen: men lette eerst op het wasschen, aankleeden en zalven en dan op de onderscheiden offers, die bij deze plechtigheid moesten worden gebracht. Ten overstaan van de vergadering der geheele gemeente van Israël werd den hoogepriester de ambtskleeding aangetrokken, dat vooral in afwijking van de wijding der gewone priesters, waarbij dan nog kwam de zalving met heilige zalfolie daartoe in het bizonder bestemd (Ps. 133 : 2). Voor den dood van Aaron trok Mozes Aaron zijn kleederen uit op den berg Hor op bevel des 'Heeren en hij trok ze Eleazar aan, waarna Aaron stierf (Num. 20:22-29). Hier wordt geen melding gemaakt van de zalving, misschien wel omdat hier op den berg Hor de eigenlijke wijding tot het ambt waarschijnlijk niet heeft plaats gehad. Later, vooral na de ballingschap, schijnt de wijding alleen maar hebben bestaan in het aandoen van het hoogepriesterlijk gewaad.

Zijn kleeding kenmerkte den hoogepriester als den middelaar tusschen God en Diens volks. Zij was een ambtskleeding en bestond naast de gewone priesterkleeding nog uit vier bizondere stukken. Toch was bij die gewone kleeding er nog eenig verschil in den vorm van zijn hoofddeksel en de kleur van zijn gordel. Het was geen muts (Ex. 29 : 9), maar eer een soort tulband, bij Ezechiël en Zacharias kroon en hoed genoemd evenals in Exodus (Ez. 21 : 26; Zach. 3 : 5; Ex. 28 : 37 ; 29 : 6). De gordel was van dezelfde stof en hetzelfde weefsel als de tapijten en voorhangsels van den tabernakel; de hoogepriester was immers de huisgenoot van God (F.x. 28 : 39 : 39 : 291.

Het eerste stuk nu van zijn prachtgewaad, dat hij over zijn gewone priesterkleeding droeg, als hij de heilige handelingen verrichtte, was een mantel (de Luthersche Bijbelvertaling van Von Gerlach, overzetting door Barbiers, heeft zijden rok). Deze mantel was een geheel geweven (dus niet genaaid) donkerblauw opperkleed, zonder mouwen, met een gezoomde halsopening. Daar dit opperkleed wat korter was dan de priesterrok, kwam het ongeveer tot de knieën en was

aan den zoom bezet met twee en zeventig (naar de overlevering der rabbijnen) opene schelletjes, uit louter goud vervaardigd en die naar den vorm op bloemkelken geleken en granaatappelen gemaakt van donkerblauw, purperrood er karmozijnrood garen. Deze sieraden waren om den ander aangebracht aan den zoom en waren stellig symbolen (Ex. 28 : 31—35).

Deze gouden schelletjes moesten zijn „aan de zoomen des mantels rondom. En Aaron zal denzelven aanhebben om te dienen; opdat zijn geluid gehoord worde, als hij in het heilige, voor het aangezicht des Heeren, ingaat, en als hij uitgaat, opdat hij niet sterve" (Ex. 28 : 34o, 35). Zij waren dus aan zijn mantel om aan den Heere te herinneren, dat Hij aan den hoogepriester het

recht had gegeven als mmaeiaar van net voik tot Hem te naderen en hij niet zoude worden verteerd door den gloed van 's Heeren heerlijkheid (Jezus Sirach 45 : 1—16). De granaatappel zou volgens sommigen een symbool zijn van hem die in de nabijheid des Heeren mocht verkeeren. Nu zijn er ook die meenen, dat de inhoud van Ex. 28 : 35 slaat op heel het ambtsgewaad van Aaron, zonder welk geheiligd gewaad hij voor den Heere niet mocht verschijnen. Volgens dezen zou het klinken der klokjes voor het volk ten teeken zijn geweest dat Aaron ten hunnen behoeve was ingegaan in het heiligdom, terwijl het volk in den voorhof was, om daarbinnen de heilige handelingen te verrichten. Al waren zij van hem gescheiden toch kon het volk hem dan verzeilen met zijn gebeden en in zijn gedachten. Naar analogie van de gewoonte dat heel het volk aan den zoom van zijn gewaad kwasten droeg, die het herinnerden aan de geboden Gods (Num. 15:38 v.v.) wezen ook deze sieraden heen naar de geboden Gods: de granaatappels met hun aangenamen geur, hun zoeten en verfrisschenden smaak en de volheid van hun saprijk vleesch, zouden spreken van de geboden Gods, die de ziel verkwikken (Ps. 19 : 8—11; 119 : 26, 27, 43—45, 50; Spr. 25 : 11; Jez. Sir. 15 : 3). Dan zouden de klokjes verklinken en vertolken de verkondiging van Gods Woord. Slechts krachtens het getuigenis des Heeren, dat beide gebod en belofte inhoudt, zou de hoogepriester zijn middelaarsambt kunnen uitoefenen. Ik gaf slechts een paar staaltjes van typologische verklaring in verband met het ambtsgewaad van den hoogepriester.

Het tweede stuk van dat gewaad heet bij ons efod, in de Luthersche vertaling boven genoemd: lijfrok en de Leidsche heeft daarvoor schouderkleed. Het moest worden gemaakt van goud, hemelsblauw (violet), purper, scharlaken (karmijn) en fijn getweernd linnen. Het moest een kunstwerk zijn. Wij kunnen ons van den vorm uit de gegevens geen al te beste voorstelling vormen (Ex. 28 : 6 v.v.; 39 : 2 v.v.). Volgens de gewone opvatting bestond het uit twee stukken, een borststuk en een dat afhing op den rug, die te zamen gehouden werden op de schouders door in gouddraden gevatte onyxsteenen en onder door een soort van gordel van dezelfde stof geweven en aan den efod verbonden was en ongeveer op de hoogte van de heup stevig om het lichaam was gebonden. Anderen stellen