is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

636

HOOGEPRIESTER

zich den vorm dezer beide stukken nog weer heel anders voor. Op de beide edelgesteenten stonden de namen der twaalf patriarchen gegrafeerd naar de volgorde waarin zij waren geboren.

Het derde stuk van het hoogepriesterlijk gewaad wordt in onze vertaling borstlap genoemd, in de Leidsche borsttasch en in de reeds genoemde Luthersche eveneens borstlap, doch door Luther zelf ambtschild. De borstlap was op de borst voor aan de efod bevestigd (Ex. 28:15—28) en van dezelfde stof vervaardigd en evenzeer een kunstig werk als de efod. Zij moest vierkant zijn en dubbel, een span lang en breed, bezet met steenen, in vier rijen; op de eerste rij een sardis (carneool), een topaas en een karbonkel (smaragd); op de tweede rij een karbonkel (smaragd), een saffier en een jaspis (diamant); op de derde rij een opaal (hiacint), een agaat en een amethist en op de vierde rij turkoois (chrysoliet), een sardonix (onyx) en een jaspis (sardonix). Zij waren allen in goud gevat. In de edelgesteenten waren de namen der twaalf stammen van Israël gegrafeerd. Aan de vier hoeken waren gouden ringen aangebracht. Aan de bovenste waren koorden van ineengedraaid gouddraad, waardoor de borstlap vastgehecht werd aan de twee rozetten waarmede voor- en achterstuk van den efod op de schouders met elkander waren verbonden; de'beide onderste ringen waren door een violetkleurig snoer verbonden met den efod, opdat die bleef hangen op den band van den efod en de borstlap niet af zou kunnen schuiven van den efod. Op den schouder dan van den efod, evenals op de borstlap stonden in edelgesteenten de namen van de twaalf zonen van Israël, opdat Aaron hunne namen dragen zou op zijn beide schouders, als op zijn hart, tot een gedachtenis (Ex. 28:12,29). De hoogepriester was alzoo de vertegenwoordiger van heel het volk, die de belangen van het volk op het harte droeg te zamen met het volk, en die tevens op zijn schouders den last van het gansche volk voor God droeg (Num. 11 : 11). In de borstlap (borsttasch) waren de uriem en thummiem. Wij weten niet nader uit het gansche Oude Testament wat wij daaronder hebben te verstaan, alleen maar staat vast dat zij niet hetzelfde zijn als de twaalf edelgesteenten van de borstlap. In de woorden zelf schuilen de gedachten licht en recht (Jez. Sir. 45 : 13). Het waren voorwerpen door middel waarvan de Heere werd geraadpleegd. Wij weten echter niet hoe zij dat daarmede deden (Num. 27 : 21).

Het vierde stuk van het ambtsgewaad was de hoogepriesterlijke hoofdbedekking, in Ex. 28:37 een hoed genoemd, een soort van mijter. Josefus zegt dat deze bestond uit de gewone priestermuts met een violetkleurigen band, die op de muts werd gezet, en den vorm had ongeveer van een tulband. Vooraan dezen hoed was een plaat van zuiver goud, waarin was gesneden, zooals een zegel wordt gesneden: Heilig aan den Heere. Het doel van deze gouden plaat met zijn opschrift was: opdat Aaron drage de ongerechtigheid der heilige dingen, welke de kinderen Israël zullen geheiligd hebben, in alle gaven hunner geheiligde dingen. Voortdurend

zal zij op zijn voorhoofd zijn; opdat het hun I ten goede kome bij den Heere (Ex. 28:38). De bedoeling dan was dat door de ambtelijke heilig- I heid van Aaron, dat wat het volk voor zondigs I aankleefde bij zijn dienen van den Heere, werd ] verzoend en die dienst Gode aangenaam kon I zijn. Volkomen kan alleen dit geschieden door I onzen Heiland, in Wien de dienst der kinderen I Gods den Heere aangenaam kan zijn.

Voeg bij deze vier stukken nog den gordel, ! die gemaakt was van wit getweernd linnen en purperblauw, purperrood en karmozijnrood garen I en wij kennen het prachtig ambtsgewaad van den hoogepriester (Ex. 31 : 10; 35 : 19 en < 39 : 41). De eigenlijke beteekenis van de woor- f den door Luther reeds vertaald met ambtsgewaad, en door onze vertaling met ambtskleederen is I die van gewerkte kleederen, d.w.z. kostbare I bewerkte kleederen. De hoogepriester droeg deze kleeding niet in het gewone dagelijksche I leven, maar als hij in het heiligdom den dienst waarnam. Werden ze oorspronkelijk in het heilig- | dom zelf bewaard; lang na de Babylonische ballingschap niet meer; sedert Johannes Hyrkanus werden zij bewaard in den burcht Antonia; terwijl de Romeinen ze alleen afgaven op de groote feesten. Zij gingen van den eenen hoogepriester op den ander over. De opvolgende hoogepriester moest ze dragen heel den tijd zijner wijding, zeven dagen (Ex. 29 :5 vv., 29; Num. 20:26,28). Het prachtgewaad zou vloeken met het karakter van den eenigen vastendag, dien Israël kende, den grooten verzoendag, en ! daarom droeg hij dan een andere en daartoe aangewezen kleeding, van wit linnen gemaakt: een rok, heupkleed, gordel en tulband, alleen voor het bizonder dienstwerk van den grooten verzoendag bestemd.

Deze kleeding, dit ambtsgewaad en dan vooral de gouden plaat op zijn hoed, zelfs kroon, genoemd, en het purperkleurige van zijn kleedij wezen den hoogepriester aan als den Heere geheiligden vorst onder de priesters. Echter, zijn gezag was in geenen deele een wereldsch gezag: hij was de vertegenwoordiger van God bij het volk en van het volk bij God. Daarom droeg hij de namen van de stammen Israëls op schouder en hart. Tot zijn bevoegdheid behoorde dan in het algemeen dat hij het opzicht had over heel den dienst des Heeren, over het heiligdom en zijn schatten (2 Kon. 12 : 7 vv.; 22:4). Op den Grooten Verzoendag moest hij het zond- en brandoffer offeren (Lev. 16) en in alle gevallen waarin dit werd geëischt moest hij het zondoffer voor zich en de gansche gemeente brengen (Lev. 4 : 5, 16); namens de priesters bracht hij het dagelijksche spijsoffer (Lev. 6:19 vv.). Dan Dan had hij „het opzicht over de olie van den luchter en het reukwerk der welriekende specerijen, en het gedurig spijsoffer, en de zalfolie; het opzicht over den ganschen tabernakel, en alles wat daarin is, aan het heiligdom en aan zijn gereedschap" (Num. 4 : 16). Zie ook nog over de ambtsverrichtingen van den hoogepriester Neh. 10 : 33 en Jez. Sir. 45 : 17 vv.). Hij kon alle werkzaamheden tot het priesterlijk ambt behoorende verrichten. Hij deed het alleen op de rust- en feestdagen. De dagelijksche spijsoffers