is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

638

HOOGER BEROEP

geslachten stamden. De erfelijkheid en de levenslange duur van het ambt hielden op. Gedurende het tijdperk van ruim honderd jaar dat ligt tusschen den aanvang van de regeering van Herodes den Groote en den val van Jeruzalem in 70 volgden acht-en-twintig hoogepriesters elkander op, behalve de jonge Aristobülus, geen hunner uit het hoogepriesterlijk geslacht. Alle deze hoogepriesters behoorden tot vijf families, die een soort van aristocratische priesterkaste vormden. In het Nieuwe Testament wordt Annas (6—15 n. Chr.) genoemd, hij behoorde met Ananias (18—36 n. Chr.) tot dezelfde familie. Wij weten niet tot welke familie Ananias (47—59 n. Chr.) heeft behoord. De gewezen hoogepriesters behielden hun titel en vele rechten, bijname dat zij zitting hadden en behielden in den Raad, het Sanhedrin, daarom wordt zoo vaak van hoogepriesters, in het meervoud, gesproken (Overpriesters: Matth. 2:4; 16:21; Mare. 8:31; Luc. 9 : 22; Joh. 7:32,45; Hand. 4:23; 22:30). Juist omdat het ambt zoo vaak van persoon verwisselde waren er veelal meerdere hoogepriesters in denzelfden tijd; echter met dien verstande dat in denzelfden tijd slechts één in het ambt stond en dus de eigenlijke hoogepriester was. Er bestaat geen grond voor de meening alsof het ambt jaarlijks zou verwisselen van persoon, die het bekleedde. Zoo moeten plaatsen worden verstaan als: Luc. 3:2; Joh. 11 : 49; 18 : 13. Annas was reeds na 15 na Christus uit het ambt ontzet; toch bleef hij een persoon van grooten invloed in den Raad. Onder de overpriesteren in de teksten bovengenoemd moeten ook gerekend worden die het ambt van hoogepriester hadden bekleed en verder nog de leden van die priesterfamilies waaruit de hoogepriesters werden gekozen. Niet minder dan acht van de acht en twintig hoogepriesters der laatste honderd jaar behoorden tot het priesterlijk geslacht van Anna, en uitgezonderd vier behoorden al de anderen slechts tot drie priesterfamilies. En vanwege het aanzien waarin het hoogepriesterlijk ambt stond en het feit dat de benoeming beperkt werd tot leden uit slechts een paar families, verleende enkel aan het feit dat men tot zulk een familie behoorde aan deze geslachten zulk een groot aanzien, als waarin zij bij het volk stonden. Bij dit aanzien waarin zij stonden bleef het echter niet; de medeleden van deze hoogepriesterlijke families namen metterdaad ook een bevoorrechte plaats in. Zij hadden een stem in den Raad. En Annas, de hoogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en zoo velen er van het hoogepriesterlijk geslacht waren (Hand. 4 : 6). Ja op deze leden werd ook de naam „hoogepriester", in ruimeren zin genomen overgedragen, gelijk ook het geval is bij Josefus. De laatste hoogepriester was Phannias en stamde uit een onaanzienlijk priesterlijk geslacht en werd te midden van de troebelen en beroerten van den burgeroorlog (67—68 na Christus) door het volk met het lot verkozen. Echter zooals voor de hand ligt had het ambt door de willekeurige benoemingen gevolgd door afzetting, door omkooperij en door de onwaardigheid van hen die het bekleedden zeer veel van zijn aanzien ingeboet.

De glans van het hoogepriesterschap naar de ordening van Aaron verbleekte steeds meer, doch de Hoogepriester was verschenen, wiens hoogepriesterschap was naar de ordening van Melchizedek (Ps. 110 : 4); de Hoogepriester, die in alles den broederen gelijk moest worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hoogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen (Hebr. 2 : 17); de groote Hoogepriester, namelijk Jezus, de Zoon van God (Hebr. 4:14); de Priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek (Hebr. 5:7); de Hoogepriester, die zooveel uitnemender bediening gekregen heeft, als hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is (Hebr. 8 : 6). Hoe leerrijk moet de inhoud van den brief aan de Hebreën zijn, waarschijnlijk wel aan Christenen geschreven, toegebracht uit het volk der Joden en dat niet zoo heel lang na den tijd, waarin het jammerlijk verval, bij name ook van het hoogepriesterlijk ambt was aanschouwd en zeker door de „stillen in den lande" betreurd, hoe troostrijk, wijl in dezen brief „doorloopend gewezen wordt op het terugtreden van den dienst der schaduwen, op het vervuld zijn in Christus van hetgeen in de ceremoniën lag afgebeeld, op het volmaakte van den waren Middelaar tegenover het onvolkomene en voorbijgaande van den ouden priesterdienst" (Korte verklaring van de Hebreën door Dr F. W. Grosheide, blz. 7). [ 8.

Hooger beroep. (Appèl). Onder hooger beroep, ook wel appèl genoemd, verstaan wij in het algemeen het beroep op een hoogeren rechter.

De mogelijkheid om van rechterlijke en administratieve beslissingen bij een hoogere macht, en, op kerkelijk terrein, van de uitspraak eener mindere vergadering bij een meerdere vergadering, in hooger beroep te gaan, berust op de gedachte, dat dwaling bij rechterlijke beslissing niet is uitgesloten, en dat de besluiten der kerkelijke vergaderingen niet onfeilbaar zijn; voorts, dat een vernieuwd onderzoek door een meer bevoegde macht of vergadering meerder waarborg geeft voor een juiste beslissing. Vandaar dat ook de Gereformeerde kerken in artikel 31 der Kerkenordening bepaalden: „Zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op eene meerdere kerkelijke vergadering beroepen mogen". De besluiten eener kerkelijke vergadering zijn dus steeds aan de Schrift appellabel. Van de bepalingen der Schrift zelf is geen hooger beroep mogelijk. Die toch zijn onfeilbaar. Rome zegt wel, dat er van de Schrift beroep mogelijk is op de kerk, maar de Gereformeerden leeren, dat er, juist omgekeerd, van de kerk beroep moet zijn op de Schrift. Daaruit volgt vanzelf, dat ook de besluiten der hoogere rechtscolleges en van de meerdere vergaderingen feilbaar zijn, zoo goed als die van de lagere colleges en van de mindere vergaderingen. Maar een vernieuwd onderzoek van meer bevoegde personen of vergadering geeft gradueel toch meerder waarborg voor een rijpere, welgegronde beslissing, in de veelheid der raadslieden is de behoudenis des