is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

642 HOOREN — HOORNBEECK

e.a. In 1549 naar Engeland teruggekeerd ontving hij het bisdom Glocester; slechts kort bediende hij dit ambt, waartoe hij zich verbonden had met den eed waarin weggelaten werden de woorden: „bij alle heiligen". In 1555 onder de bloedige Maria werd hij veroordeeld en verbrand. [ 28.

Hooren komt in de Heilige Schrift menigmaal voor. Op tal van plaatsen heeft het geen andere beteekenis dan die, waarin wij het ook doorgaans gebruiken. Maar soms wordt hooren bepaald gebruikt voor het luisteren naar het Woord Gods en van het gelooven aan en het in practijk brengen van dat Woord, vgl. b.v. Luc. 11 : 28, Rom. 10 : 14. De Schrift leert, dat zulk geloovig hooren alleen mogelijk is door de werking van den Heiligen Geest (1 Cor. 2 : 10 vlg.; Hebr. 4:2); God belooft echter dien Geest te zenden, waar Zijn Woord komt, de Geest paart zich aan het Woord. Daarom mag niemand zeggen, dat hij niet „hooren" kan. Zulk zeggen is goddeloos en inderdaad een zich verzetten tegen de prediking. Ook kan niemand zich verontschuldigen, als hij niet „hoort", allen zijn schuldig te „hooren", omdat ze gevallen zijn, en eens in hun eerste bondshoofd Adam konden hooren. Waar de Geest des Heeren het geloof werkt, daar volgt het hooren van zelf (Hand. 16 : 14). De Schrift spreekt ook van het hooren Gods. God hoort alle dingen als alwetende, maar Hij hoort ook het gebed, d. 1. Hij verhoort het om Christus' wil (Ps. 65 : 3, enz.). [ 17.

Hoorn. In de Schrift is vaak sprake van hoornen gelijk te verstaan is, omdat het Israëlietische volk een volk was, dat runderen en schapen hield. Of de hoornen, die als muziekinstrument en als oliehoorn dienst deden, van metaal waren, dan wel horens van dieren, is niet altijd te zeggen, in elk geval hadden ze den vorm van hoornen van beesten (Num. 10:2 spreekt van zilveren trompetten). Aan beide altaren moesten vier hoornen worden gemaakt, niet tot versiering, maar om daaraan het bloed van het offer te strijken (Exod. 29 : 12; Lev. 4 : 7, 25, 30, 34 ; 8 : 15; 9 : 9; 16 : 18). Deze hoornen zijn alzoo symbool van de zaligheid en zoo heet Christus de hoorn der zaligheid (Luc. 1 : 69 vgl. ook Ezech. 29 : 21). Wie onopzettelijk een doodslag had begaan, mocht de hoornen des altaars grijpen (1 Kon. 1 : 50; 2 : 28). Ontwijding van de hoornen van het altaar beteekende de ontwijding van het altaar (Amos 3 : 14; Jerem. 17 : 1). Daar van het rund de hoorn het wapen is, het lichaamsdeel, waarmede het kracht oefent, is hoorn in de Schrift menigmaal het beeld van kracht, hulp, over winning, heerlijkheid (Deut. 33 : 17). Den hoorn verhoogen is: de overwinning geven (1 Sam. 2 : 1 en 10 enz.), den hoorn afsnijden is verslaan (Jerem. 48 : 25). Ook in de eschatologische profetieën is dikwijls van hoornen sprake, als symbool van macht en kracht, m. n. van de macht, die zich tegen God stelt (Zach. 1 : 18 vlg.; Dan. 7 en 8; Openb. 13). Maar ook het Lam heeft in de profetie zeven hoomen (Openb. 5 : 6), een teeken van Zijn macht. [ 17.

Hoornbeeck (Johannes) werd den 4den November 1617 te Haarlem geboren (Voetius noemt hem : Harlemus-Batavus). Zijn grootvader was een Vlaamsche balling. Zijn voorbereidend onderwijs ontving hij in zijn vaderstad; daarna trok hij op 16-jarigen leeftijd naar de Leidsche academie. Hier volgde hij de colleges van Daniël Heinsius, Constantin 1'Empereur, Antonius Thysius, Antonius Walaeus en andere hoogleeraren. De pest, die in 1635 Leiden teisterde, deed hem de Leidsche hoogeschool met die van Utrecht verwisselen, waar hij zich inzonderheid tot den beroemden Gisbertus Voetius voelde aangetrokken. In 1638 proponent geworden, werd hij in 1639 predikant te Mülheim aan den Rijn. Bijna 5 jaren diende hij hier de gemeente onder het kruis; toen zag hij zich, dank zij het woelen der Roomschen, genoodzaakt, zonder vasten dienst zijnde, naar het vaderland terug te keeren. Op 2 December 1643 promoveerde hij aan de Utrechtsche hoogeschool na het verdedigen van zijn: Disputationesdecent anti-judaïcae. Spoedig daarop werd hij nu te Maastricht tot predikant beroepen. Reeds had hij dit beroep aangenomen, toen Harderwijk en Utrecht beide hem als hoogleeraar begeerden. Met bewilliging van de kerk te Maastricht nam hij de benoeming naar Utrechts hoogeschool aan. Pas 27 jaren was hij oud, toen hij hier zijn ambt aanvaardde. De vlijtige leerling van Voetius (den 14den Mei 1636 had hij onder hem op het Zaterdagsch dispuut-college een verhandeling : De sacrificio Melchizedekt verdedigd) werd nu diens ijverige ambtgenoot, met wien hij steeds in eenheid des geestes gearbeid heeft. Ze leefden samen summa concordia, sine litibus (in de hoogste eendracht en zonder krakeel).

De inaugureele rede van Hoornbeeck had tot onderwerp: De studio S.S. Theologiae (over de studie der H. Godgeleerdheid) en werd den 6den Juli 1644 uitgesproken. Hij gaf een volledig programma van de leerstof, welke de student in de theologie zich moest verwerven. Vooral aan 5 onderwerpen had deze zijn volle aandacht te wijden: de Heilige Schrift, de dogmatische institutiones, de controversiae, het practicum vitae et regiminis (ethiek en kerkrecht) en als aanhangsel het historicum (de kerkgeschiedenis). Een zijner stellingen in deze rede luidde aldus: theologia tota nisi practica est (de geheele theologie is slechts practicaal). Als beminnaar van de kerkgeschiedenis gaf hij zijn colleges bij voorkeur met een historischen inslag.

In 1645 werd hij ook tot predikant van Utrechts kerk benoemd en weldra was hij binnen het Stichtsche Sion bijzonder geliefd en geacht. Des Zondags catechiseerde hij met de weezen der gemeente.

In de jaren 1644 tot 1654, zijn Utrechtsche periode, was zijn pen zeer vruchtbaar. Zijn meest bekende werk uit dezen tijd is zijn: Summa controversiarum religionis, enz. (1653). Hierin spreidt hij al zijn uitgebreide kennis en zijn talenten ten toon en bewijst hij, dat hij geen theoloog was „van alledaagschen stempel". De toon in dit groote werk is ernstig en rustig, allerminst kwetsend. Evenals zijn leermeester