is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOSPITAALMONNIKEN — HOUT

649

Scheurers opvolger Dr. H. S. Pruijs (1906—18) breidde de invloedssfeer belangrijk uit door de zes hulphospitalen in de omgeving van Djocja, aan het hoofd waarvan in het hoofdhospitaal opgeleide Inlandsche verplegers werden geplaatst, z.g.n. desa-dokters.

Onder directie van Dr. J. Offringa, al sinds 1912 tweede geneesheer, werden de hulpziekenhuizen al verder de Residentie Djocjakarta Ingebracht en tot negen uitgebreid; kwam in 1925 de groote uitbreiding tot stand, waardoor Djocja's zendings-ziekenhuis een eerste klas hospitaal werd, dat geheel naar de eischen van den tijd is Ingericht.

Was van groote beteekenis voor de bijeenvergadering der groote Christen-gemeente te Djocja; voor de oprichting van zendings-hospitalen (met hulpziekenhuizen) op geheel MiddenJava ten Zuiden; en wordt geroemd als voorbeeld voor ziekenverzorging onder de Javanen.

Europeesche dokters: Dr. J. Offringa, Dr. M. G. Muller en Dr. D. Bakker. [ 35.

Hospitaalmonniken, dat waren de talrijke religieuzen, die zich wijdden aan ziekenverpleging. Daartoe behoorden vooral de dienende broeders

van de beide orden: de Johannieters en de ridders van de Duitsche orde, verder de burgerlijke hospitaalorden: de kruisdragers, de Antonieten, de Heilige Geest broeders. Later kwamen daarbij de hospitalen van Burgos (1212), de barmhartige broeders van de zalige Maria (1280), de hospitalen van de orde De Dlo (1572). Talrijker dan de mannelijke waren de vrouwelijke religieuzen (hospitaalzusters) die zich bezig hielden met krankenverpleging, verzorging van weezen en gevallenen. Daartoe behooren de Heilige Geestorden of witte zusters, die van Catharina van Parijs (1222), de Haudriëtten (zusters van de Hemelvaart) van St. Haudry, die van Loches (1629) en ook andere. [ 24.

Hospitium is een Latijnsch woord, dat gastvriendschap beteekent, voorts gastvrije ontvangst en de plaats waar de gastvriendschap genoten wordt. Hospitium is een huis waar men tijdelijk als gast onderdak vinden kan. Tegenwoordig is hospitium de naam voor de toevluchten, die, meestal door monniken, in hooge bergpassen gebouwd zijn met het doel bergbeklimmers onderdak te verschaffen en menschen die in de bergen verdwaald zijn terecht te brengen en te verzorgen. Het beroemde klooster van den St. Bernhard is zulk een hospitium. In de voornaamste steden van Duitschland en Zwitserland treft men eenvoudige Christelijke hotels aan, die ook den naam hospitium of „Christliches Hospiz" dragen. Hospitium wordt ook het huis in een academiestad genoemd, waar een aantal studenten tegen matigen prijs samenwoont. Ieder student heeft een eigen studeer- en slaapkamer, de maaltijden worden gemeenschappelijk gebruikt. De Vrije Universiteit heeft een door Directeuren der Vereeniging voor Gereformeerd Hooger Onderwijs bestuurd hospitium, gevestigd in het gebouw dier hoogeschool. Te Kampen wordt het hospitium, gevestigd Broederweg 15, beheerd door het Bestuur van de Vereeniging tot stichting en instandhouding van een hospitium voor studenten aan de Theologische School te Kampen. [ 14.

Hostie heet het uit gezuurd tarwedeeg gebakken, zoo men meent, in het beeld van den gekruisten Zaligmaker veranderde schijfje, waarvan de Roomsch-Catholieke kerk zich bedient bij het Avondmaal. In de oude kerk gebruikte men eerst gewoon brood, totdat in de 4e eeuw groote, ronde „oblaten" in gebruik kwamen, die men na de wijding in zoovele stukken brak als noodig waren. Eerst in de 12e eeuw werd de hostie ingevoerd. De naam hostie ontstond uit de bedoeling, om het brood, dat door den priester veranderd werd in het lichaam van Christus, als onbloedig offer (hostia) op te dragen. Dit is evenwel in strijd met de Schrift die ons leert, dat Christus met één offerande in eeuwigheid volmaakt heeft degenen die geheiligd worden. (Men zie den brief aan de Hebreën). [ 28.

Hottinger (Jon. Heinrich) (1620—1667), beroemd geleerde. Na sinds 1638 de universiteit te Genève bezocht te hebben en in Frankrijk gereisd te hebben, studeerde hij in Groningen en Leiden in de Oostersche talen. Daarna ging hij naar Engeland en keerde 1641 weer naar Zurich terug, waar hij 1642 als professor werd aangesteld. In 1655 kwam hij op verzoek van den keurvorst naar Heidelberg, om de Hoogeschool aldaar uit haar verval op te heffen. In 1677 gaf hij aan de herhaalde uitnoodiging tot een professoraat te Leiden gevolg, maar verdronk bij zijn afreis met drie zijner kinderen. [ 28.

Houden. In meer bizondere beteekenis komt dit woord voor, als er in de Heilige Schrift sprake is o. a. van het verbond Gods (Gen. 17 : 9, 10), van den dag des Heeren (Ex. 12 : 17), de rechten des Heeren (Lev. 25 : 18), den eed (Deut. 7 : 8). Het houden van het verbond komt tweezijdig voor: a. God houdt het verbond (Dan. 9 : 4). b. Zijn volk heeft het verbond te houden.

Het heeft dus ae beteekenis van gesianu uucu, trouw blijven aan, zooals wij spreken van: „ons woord houden." [ 28.

Hont. Onze boomen en heesters bestaan uit verschillende lagen. De buitenste laag draagt den naam van cuticula of opperhuidje. Hieronder ligt de epidermis of eigenlijke opperhuid, die gewoonlijk uit een enkele laag van parenchymcellen zonder intercellulaire ruimten bestaat. Dan volgt de kurkhuid, die ook gevormd wordt op plaatsen, waar een plant gewond is. Hierbinnen ligt de schorslaag en daarbinnen een kring van vaatbundels. Elke vaatbundel bestaat uit twee deelen; het buitenste draagt den naam van bast, het binnenste heet hout. Tusschen bast- en houtgedeelte van eiken vaatbundel ligt een laag cellen, die samen de teeltweefsellaag of den cambiumcylinder vormen. Het cambium bestaat uit dunwandige, geheel met protoplasma gevulde cellen, die door deeling aan den buitenkant steeds nieuwe bastlagen en aan den binnenkant nieuwe houtlagen vormen, waardoor de tweezaadlobbige en naaktzadige planten in dikte toenemen. Hout is dus eigenlijk dat gedeelte van een boom of struik, dat zich binnen den cambiumring bevindt. Het bestaat uit zeer langwerpige, spits toeloopende cellen, die aan elkaar sluiten en den naam van houtprosenchymcellen of houtvezels dragen. Tusschen de houtvezels bevinden zich langwerpige vaten, die houtvaten heeten en lucht