is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

666

HUMILIATEN — HUMOR

causaliteitsopvatting is zelfs bij Kant duidelijk merkbaar.

Het substantie-begrip is volgens Hume een product van onze verbeeldingskracht. Substantie is niets anders dan een som van eigenschappen; een zelfstandige drager dier eigenschappen is niet waar te nemen en wordt er door ons bijgedacht. Zoo is ook de ziel geen substantie, maar een bundel van steeds wisselende voorstellingen en gevoelens (a bundie of perceptions in aperpetual flux and movement). Hume is dus in beginsel positivist, bestrijder van de metafysica.

Van Hume's psychologie is bekend de formuleering van de drie associatiewetten. De voorstellingen kunnen zich verbinden naar drie richtingen: 1. doordat ze naar den inhoud met elkaar overeenkomen of zich in tegenstelling bevinden, dus door gelijkheid of door contrast; 2. door contiguïteit, d. i. dat de voorstellingen zich verbinden, omdat ze onder dezelfde tijd-ruimtelijke verhoudingen in het bewustzijn gekomen zijn; 3. omdat ze tot elkander in een „causale" verhouding staan en de eene voorstelling als de oorzaak van de andere wordt aangemerkt. De associatie-psychologie is in Engeland wijd en zijd verbreid geweest.

In de godsdienstwijsbegeerte verklaart hij de religie uit vrees. Uit vrees voor toekomstige rampen en tegenspoeden dachten de menschen de goden uit. De religie wordt dus op anthropomorfe wijze verklaard. Eerst was er polytheïsme, waaruit zich het monotheïsme zou hebben ontwikkeld! Het wonder bestaat niet, want het is een ontkenning van de natuurwetten. Het positivisme van Hume, dat in den grond een ondergraving van de wetenschap is, werd in de negentiende eeuw nog verder ontwikkeld door den Engelschen denker J. Stuart Mill, f 1873, die weer in ons land Prof. Opzoomer f 1892 van Utrecht onder zijn volgelingen kon tellen. [ 14.

Humillaten. De oorsprong van de orde der Humiliaten ligt in het duister. Het was oorspronkelijk een broederschap van leeken, die tegen het einde der 12de eeuw in Frankrijken BovenItalië op den voorgrond kwamen te staan. Een deel van hen heeft zich vereenigd met de Waldenzen. Op de Synode te Verona (1184) werden deze tegelijk met de Waldenzen veroordeeld. Die echter aan de kerk getrouw gebleven waren, werden door Innocentius III erkend als orde en hun werd een drievoudige regel gegeven, opdat zij niet langer van ontrouw jegens de kerk verdacht zouden worden. De eerste orde omvatte alleen leeken, die van hun arbeid leefden en die gehuwd waren. Zij onderscheidden zich door eenvoudige kleeding, matigheid, ascese, door het geven van aalmoezen en door het mijden van den eed. In geval van nood hielpen zij elkander, en op den Zondag verzamelden deze leeken zich, om Gods Woord te hooren in een of ander lokaliteit, waar dan een der broeders, die bijzonder geloovig was, met toestemming van den bisschop zijner diocese een woord mocht spreken in aansluiting aan Gods Woord, dat tot vroomheid opwekte. Over de geloofsartikelen en de sacramenten mocht echter niet gesproken worden. De tweede orde gold niet de leekenbroederschap, maar de kloosterbroeder¬

schap. In deze orde hielpen de broeders elkander ook, zij arbeidden ijverig, maar altoos in het klooster. Later werd deze tweede orde vooral in deze steden zeer begeerd om haar arbeid. De derde orde, die eigenlijk de voornaamste was, bestond uit clerici (canonici), die zich bij de broederschap aansloten en die vooral ervoor zorgden, dat, wat in het klooster vervaardigd werd, op ordelijke wijze verkocht werd. Alle drie orden vermeden den eed (Matth. 5 : 34). De orden werden spoedig zeer rijk en de misbruiken in de orden werden vele. Kardinaal Boromeo, die reformeerend in de orde wilde optreden, viel bijna als een slachtoffer van een samenzwering in de orde. In 1571 werden de drie orden door den paus opgeheven. De vrouwelijke Humiliaten bleven nog eenigen tijd bestaan. [ 24.

Humor. De humores waren bij de oude medici de vochten van het lichaam, die op iemands gestel en stemming grooten invloed hadden. Die beschouwing is uit den tijd, dat temperament en element ten nauwste geacht werden samen te hangen met combinaties van warm en koud, vochtig en droog. Het voorlaatste woord doet aan humor denken en zit nog in ons humeur met zijn doorgaans minder gunstige beteekenis. In de 16e eeuw was dan ook nog iemand, die humor had, een zonderling, een gekwelde, vaak een kwelling voor zijn omgeving. Maar in de 18e eeuw werd humorist, de man, die er niet aan leed, doch die het euvel bij anderen met een glimlach beschreef. Hij vermaakte zichzelf en anderen met dergelijke typen. Dan ontstaat het humorisme, waaraan men het woord humor in de tegenwoordige beteekenis ontleent. Het is de gave van den Joodschen wijze, die de menschen neemt, zooals ze zijn, en er glimlachend bij het hoofd schudt. Het duurt niet lang, of wat zich als humor komt aanmelden heet humoristisch, maar het verschijnt in harlekijnspak als boert of galgenhumor en is geheel ontaard. Dan spreekt Jean Paul van het verhevene met de beenen in de lucht. Echte humor heeft niets gemeen met zich noemende humoristische tijdschriften waar het er dik op ligt. Humor is een bepaalde gevoelstoon. Wanneer iemand wel eens getroffen is geweest door iets ernstigs, en hij zag tegelijk den grappigen kant ervan, zoodat zijn aandoening verborgen ging onder een lach, — dan kent hij humor. Rubens moet eens een schets van een kinderkopje hebben gemaakt, waarvan allen den lach bewonderden. De schilder bracht één penseelstreek aan en het lachende kind weende. Dat is de humor, die van een traan ook een lach kan tooveren. Humor is vroolijkheid aan de oppervlakte, maar met een ernstigen ondergrond. Wie zoo aangelegd is, dat hij tegelijk den ernst van het leven meevoelt en het lachwekkende ziet, is een humorist. Maar er is nog een groote afstand tusschen den weemoedigen glimlach van een berustende, en den galgenhumor van een minder fijn beschaafde, die een ruwe grap maakt, omdat hij niet wil weten dat hij getroffen is. Er is allerlei humor. De Christelijke humor wordt gevonden, waar men, naar Jezus woord, geleerd heeft, te vasten met gezalfd aangezicht. De Christen heeft de