is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

672

HUWELIJK

nemen, geen weduwe of verstootene, terwijl de andere priesters niet mochten huwen met een verstootene of onteerde. — Van het leviraatshuwelijk, dat ook bij andere volken voorkomt, lezen we reeds Gen. 38 : 8 v. Was het huwelijk met de weduwe van een overleden broeder verboden, indien deze kinderen had, als inbreuk makende op de broederlijke betrekking, anders stond de zaak, indien de broeder stierf, zonder zoon na te laten. Dan was zijn hem overlevende broeder als zwager (levir) verplicht, zijn schoonzuster, nu weduwe geworden, te huwen. Het doel van zulk een leviraats- of zwager-huwelijk was, het geslacht en alzoo den naam des broedersin stand te houden, wat blijkt uit de bepaling, dat de eerstgeboren zoon uit zulk een huwelijk op den naam van den overleden broeder in het geslachtsregister moest worden ingeschreven. Indien de zwager weigerde, de weduwe zijns broeders tot vrouw te nemen, zoo kon deze hem dagen voor de oudsten harer woonplaats. Bleef hij ook dan in zijne weigering volharden, dan was daarmeê feitelijk de zaak beslist; alleen moest hij zich laten welgevallen, dat zijn schoonzuster hem voor de oogen der oudsten den schoen uittrok, en in het aangezicht spuwde, met de woorden: „alzoo zal dien man gedaan worden, die zijns broeders huis niet zal bouwen", terwijl hij den smaad op zich laadde, dat van zijn huis voortaan in Israël gesproken werd als „het huis desgenen, wien de schoen is uitgetogen" (Deut. 25:5—10; vg. Matth. 22 : 23—29).

Volgens de Roomsche kerk heeft Christus het huwelijk „verheven tot de waardigheid van sacrament", en moet het daarom beschouwd als „een uitwendig teeken, door Christus ingesteld, waardoor wordt aangeduid en medegedeeld de bizondere genade om de verplichtingen van den gehuwden staat naar behooren te vervullen" (Prof. J. F. de Groot, Handboek bij het Katholiek Godsdienstonderwijs, blz. 202 v.). De Roomsche kerk moet echter toegeven, dat niet aanwijsbaar is, wanneer Christus het huwelijk tot sacrament zou hebben verheven. De eenige Schriftuurlijke grond, die wordt aangevoerd, is ontleend aan de beschouwing van den apostel Paulus in Ef. 5 : 25 v., en met name aan vs 32, waar staat: „deze verborgenheid is groot". In de Vulgata (zie het artikel), de Latijnsche bijbelvertaling, die bij Rome de officieel geldende is, wordt het woord verborgenheid (mysterion) overgezet door sacramentum, en dit moet dan dienen als bewijs voor het sacramenteel karakter der echtverbintenis. Maar in de eerste plaats is deze vertaling van verborgenheid geheel willekeurig, en ten tweede zien de woorden: „deze verborgenheid is groot" niet op het huwelijk als zoodanig, maar op de vereeniging tusschen Christus en de gemeente, waarvan het een afdruk, een type, een zichtbare voorstelling is (vg. de Kantt.). Desondanks gaat de Roomsche kerk zoover, dat zij op het concilie van Trente (1545—63), een iegelijk, die ontkent dat het huwelijk een sacrament is, vervloekt. Met deze hooge verheffing des huwelijks schijnt in tegenspraak de verplichting tot eenechteloos leven, waaraan bij Rome de geestelijken met zg. hoogere wijdingen (bisschoppen, priesters, diakenen en sub-diakenen) en kloosterlingen zich

moeten onderwerpen. De ter wille van het koninkrijk Gods vrijwillig gekozen ongehuwde staat zou hooger staan en verdienstelijker zijn dan de gehuwde, naardien Christus en de apostelen dit in Matth. 19 : 12, 29, 1 Cor. 7:7,38, Openb. 14:4 zouden geleerd en door hun voorbeeld zouden bekrachtigd hebben, terwijl voorts de diepste grond voor het ongehuwd-zijn der geestelijken met hoogere wijdingen zou liggen in het eucharistisch offer (zie het artikel Eucharistie). Dat Rome zich ten onrechte op het voorbeeld der apostelen beroept, is duidelijk uit Mare. 1:30 en 1 Cor. 9:5. Men zie verder het artikel Coelibaat. [ 20.

Huwelijk (Tweede). Volgens de Schrift is een tweede huwelijk van den overgebleven echtgenoot, na den dood van de andere partij, geoorloofd. Paulus schrijft immers: „Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrij gemaakt van de wet des mans. Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zoo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar Indien de man gestorven is, zoo is zij vrij Van de wet, alzoo dat zij geen overspeelster Is, als zij eens anderen mans wordt." Het ideale huwelijk moge zijn: één man en één vrouw, dit wil toch niet zeggen, dat een tweede huwelijk, nadat het eerste van Godswege door den dood van een der beide partijen ontbonden is, ongeoorloofd zou zijn.

Gezien deze duidelijke uitspraak van Gods Woord, is het dan ook schier onverklaarbaar, dat de oude Christelijke kerk tegen alle tweede huwelijk gekant was. Daarin sprak zich deels haar ideale, maar deels ook haar eenzijdig spiritualistische richting uit. Het Christelijk-Romeinsche recht verbood aan een weduwe het tweede huwelijk binnen het rouwjaar (dat was geen vol jaar, maar negen maanden) op straffe van oneerbaarheid. Maar de Roomsche kerk verleende aan de overlevende partij in afwijking van de vroegere bepalingen, onbeperkte vrijheid, terwijl de Protestantsche kerken weer tot de bepaling van het Romeinsche recht terugkeerden, maar dan zoo, dat nu niet alleen aan de vrouw, doch ook aan den man het tweede huwelijk binnen een bepaalden tijd verboden werd. De Gereformeerde kerken namen den tijd nog korter. Zij bepaalden op de synode van Dordrecht, 1578, artikel 89: „Hoewel Paulus den weduwen gheenen sekeren tyt voorschryft wanneer sy herhylicken (hertrouwen) moghen nochtans dewyle hyse vermaent datse in den Heere trouwen sullen, soo en lydt de eerbaerheyt ia ook de nootsakelickheyt niet, datse voor vier maenden en half wederom hylicken souden, bysonder dewyle door keyserlicke rechten haerlieden een Rouweiaer (rouwjaar) dat is den tyt van neghen maenden voorgheschreven wordt". De synode te Middelburg, 1581, herhaalde deze bepaling van vier en een halve maand, maar de volgende synoden namen ze niet weer in haar kerkenordeningen op, zoodat er sinds geen kerkelijke bepaling is en het aan de Christelijke consciëntie is overgelaten om het te spoedig hertrouwen tegen te gaan.

Ondertusschen is volgens de Gereformeerden