is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L

Ibas van Edessa behoorde tot de Antiocheensche school en was een aanhanger van Theodosius van Mopsuesta. Hij werd door bisschop Rabulas uit Edessa verdreven, maar na diens dood keerde hij weder en werd in 435 bisschop in Edessa. Hij maakte die stad tot een centrum van de Nestoriaansche leer en tot een opleidingsschool voor de Perzische Nestorianen. Hij vertaalde de geschriften van Diodosius van Tarsus en van Theodosius van Mopsuesta in het Syrisch. Daarom werd hij van Nestorianïsme beschuldigd en in 449 op de Roover-synode te Efeze door Dioscurus geëxcommuniceerd en afgezet. Twee jaren daarna werd hij, nadat hij de veroordeeling van Nestorius goedgekeurd had, te Chalcedon voor orthodox in het geloof verklaard. Hij stierf in 457. Zijn brief aan bisschop Mares van Hardaschir, die later bij de Nestorianen zelfs symbolische waarde kreeg, werd in den drie kapittel-strijd (zie artikel) door het Edict van Justinianus veroordeeld en die veroordeeling werd op het Oecumenisch concilie van Constantinopel 553 vernieuwd. [ 24.

Ibsen (Hendrik). De Noorsche dichter H. Ibsen (geboren 1828, gestorven 1906) is een van de belangrijkste figuren van de 19e eeuwsche Skandinavische letterkunde, ver buiten de grenzen van zijn land en zijn tijd bekend.

Als bij zoovelen, die in de historie der letterkunde hun plaats innemen, zien we bij Ibsen persoonlijkheid en denken gestempeld door de omstandigheden, die in de jaren van zijn vorming hun invloed hebben doen gelden. Zoon van goeden huize (zijn vader was een gezeten koopman in Skiën) had hij een onbezorgden kindertijd. Maar door den achteruitgang van zijn vaders zaken raakte hij al spoedig in minderen doen. Op zijn 16e jaar kwam hij in de apotheek, werkte, onder zeer ongunstige verhoudingen, zich op tot het academisch toelatingsexamen, maar, eenmaal zoover, miste hij de middelen, om de studie der medicijnen te kurtnen beginnen. Vaak had hij gebrek aan het noodigste. Met 't schrijven in couranten trachtte hij in zijn onderhoud te voorzien..

Uiterlijk waren de jaren van Ibsens jeugd dus vol strijd en moeite. Maar ook innerlijk. En daardoor werd hij hard en cynisch, grimmighartstochtelijk. Gedurende een tiental jaren gaf hij zijn krachten aan de leiding van het tooneel; een tijdlang was hij directeur van de Noorsche Schouwburg in Christiania. Maar in 1862 ging

Ene. III

deze failliet en begon een leven van omzwerving. Hij woonde in Rome, Dresden en München, had het in den regel arm en maakte zich bovendien nog vele vijanden door wat hij publiceerde. Eerst na jaren, toen hij te Christiania teruggekeerd was en beroemd was geworden (niet het minst door zijn Brand), verminderden zijn zorgen. Het Noorsche Storting kende hem toen een jaargeld toe, dat hem een bescheiden bestaan verzekerde.

Dat een zoodanig donkere levensontwikkeling mede oorzaak is geweest van Ibsens pessimistische levensopvatting, is buiten kijf. Maar zijn aanleg lag toch ook in die richting. „Er is iets in zijn oog, dat hem dwingt zwart te zien" heeft Georg Brandes van hem getuigd, „iets krijgshaftigs, oproerigs, wild-zwaarmoedigs diep in zijn wezen". Zijn pessimisme is dan ook niet melancholisch van karakter, maar is verwant aan verachting en toorn, „rij} klaagt niet" zegt Brandes, „hij klaagt aan". Het beeld van de wereld, dat hij teekent, met fel-scherpe lijnen, is afschrikwekkend. In zijn oog zijn maatschappij en samenleving rot. Overal speurt hij onder de oppervlakte der dingen vervreting en dat doet hem walgen van al wat bestaat, brengt hem tot een meedoogenloos afbreken van alle verhoudingen, omdat ze voor hem evenzoovele onwaarheden zijn.

Naast deze negatieve kracht staat bij Ibsen echter geen positief element. Voor wat hij neerhaalt stelt hij niets in de plaats, omdat hij zelf geen ideaal heeft, dat de donkere werkelijkheid oplichten kan. Daarom is hij terecht genoemd „de dichter van den twijfel". Vele van zijn geschriften laten geen anderen indruk na, dan van troosteloosheid en wanhoop. De personen, die daarin optreden, toonen in verschillende gevallen een zeker gevoel van roeping, maar, öf hun ontbreekt het geloof in die roeping en daardoor de kracht, om haar te volbrengen, (men denke aan Rosmer in Rosmersholm) öf, als zij dat geloof wel hebben en ze hun roeping volgen, wordt toch, door den onontkoombaren invloed van duistere machten, het doel gemist (men denke aan Brand).

Dit verschijnsel vindt wellicht zijn oorzaak in het feit, dat Ibsen niet gelooft aan iefe, dat den mensch kracht en moed geven kan. Wel stelt hij wil en durf steeds scherp op den voorgrond, maar geen zijner figuren is tenslotte de belichaming van de triomf dier eigenschappen.