is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

INDIË

(Djocjakarta), Soerakarta (Soerakarta), Rembang (Rembang), Soerabaja (Soerabaja), Madioen (Madioen), Kediri (Kediri), Pasoeroean (Pasoeroean), Bezoeki (Bondowoso), Madoera (Pamakasan). II. Buitengewesten: a. Sumatra: Gouvernement: Atjeh en Onderhoorigheden (Kota Radja); Oostkust van Sumatra (Medan); Residentie: Tapanoeli (Siboga), Sumatra's Westkust (Padang), Benkoelen (Benkoelen), Lampongsche Districten (Telok Betong), Palembang (Palembang), Djambi (Djambi), Riouw en Onderhoorigheden, Bangka en Onderhoorigheden; Assistent-Residentie : (zelfstandig) Billiton. b. Borneo: Residentie Borneo's Westerafdeeling (Pontianak), Borneo's Zuider- en Oosterafdeeling (Bandjermassin). c. Celebes: Gouvernement: Celebes en onderhoorigheden (Makassar), Residentie: Menado (Menado). d. Kleine Soenda-eilanden: Residentie: Bali en Lombok (Singaradja), Timor (Koepang). e. Molukken: Residentie: Ternate en Onderhoorigheden (Ternate), Ambon en Onderhoorigheden (Ambon), Nieuw-Guinee (Fak-Fak).

De bevolking, in totaal circa 50 millioen, waarvan ruim 35.000.000 op Java en 14 a 15 millioen in de Buitengewesten, behoort voor het overgroote deel tot het Maleische of bruine ras: I. Op Java en Madoera: de Soendaneezen in West-Java, de Javanen in Midden- en OostJava, de Madoereezen op Madoera en Oost-lava; in de havensteden vele Kust-Maleiers. II. Op Sumatra: de Atjehers in het Noorden, de Batakkers om het Toba-meer, de Maleiers in Midden- en Zuid-Sumatra, onder wie vooral de Minangkabauers (ook wel Padangsche Maleiers genoemd), de Lampoengers in het Zuiden, de Palembangers en de Kust- of eigenlijke Maleiers langs de geheele Oostkust. III. Op Borneo: de Dajakkers in het binnenland, en aan de kusten vele kolonisten: Kust-Maleiers op de West-, Javanen op de Zuid-, Boegineezen en Makassaren van Celebes op de Zuid- en Oost-kust. IV. Op Celebes: de Makassaren bij Makassar, de Boegineezen om de Golf van Boni, de Minahassers in de Minahassa, de Toradja's in de binnenlanden. V. Op Bali de Balineezen, op Lombok de Sassaks, op Timor de Timoreezen; op Ternate de Ternatanen. Bij veel onderscheid staat het Maleische ras op een hoogeren trap van beschaving dan de Papoea's op de Nieuw-Guinee-groep; deze zijn langer dan de Maleiers, donkerder van huidskleur en hebben kroeshaar; gelijken dus meer op de Negers (zwarte ras). Op de Molukken wonen Alfoeren, die misschien wel, tenminste naar sommige lichamelijke eigenschappen te oordeelen, een overgang van de beide genoemde rassen vormen. — Op heel de bevolking zijner slechte 2 % Kolonisten (vreemdelingen). Van de Europeanen (pl.m. 80.000) 't meest de Nederlanders, die als ambtenaren, industrieelen, kooplieden, en in den handel en in het leger werkzaam zijn; onder hen weinig handwerkslieden, en een groot getal met min of meer Indisch bloed (Sinjo's). De Chineezen (pl.m. 570.000), van wie er in de meeste groote steden thans eenige duizenden zijn; de sinkèh's (pas uit China gekomenen) werken als koelies op de cultuurondernemingen en in de mijnen, of als havenarbeiders en handwerkslieden in de Buiten¬

gewesten ; de peranakans (die van ouder op ouder op Java al wonen, Indo-Chineezen), vooral op Java, zijn klein- en groothandelaars, reeders, pachters van belastingen, industrieelen en winkeliers. De Arabieren (30.000) treden, met name in de havensteden van Java, als tusschenhandelaars op; als woekeraars zijn zij nog erger dan de Chineezen, „die zich aan het verzwakte volkswezen uitzuigend hechten als woekerplanten aan een kwijnenden boom". De Klingaleezen (uit Voor- en Achter-Indië) zijn meest reizende handelaren of ambachtslieden en werken ook wel op de tabaksplantages van Deli. Hindoe's zijn er als koelies in sommige mijnen en havenplaatsen. En als de jongste kolonisten de Japanneezen, veelal voor den handel. De laatste drie groepen tellen ongeveer 23.000 zielen. — Naar de dichtheid van bevolking valt er scherp te onderscheiden tusschen deze twee deelen van den Archipel: de rij Java, Madoera, Bali en Lombok dicht, doch de overige eilanden — op enkele zeer kleine na — dun bevolkt. De cijfers per 1 K. M.2 zijn voor Java en Madoera circa 260, en (meer bij benadering) voor Sumatra 12, voor Borneo 3, voor Celebes 8, voor NieuwGuinee l/2.

De onderscheidene volken en volksstammen spreken voor het overgroote deel aan elkaar verwante talen, die samen den Maleisch-Polynesischen taalstam vormen. Aan de Zuidkust van Nieuw-Guinee worden nog de oorspronkelijke Papoea-talen gesproken; ook de bewoners van Ternate, Tidore en het grootste deel van Halmahera hebben talen, die sterk van de Maleisch-Polynesische afwijken en overeenkomst toonen met de talen van Nieuw-Guinee; trouwens wijkt ook het lichaamstype déa> sterk van het Maleische af. Het Maleisch is de verkeerstaal; het wordt overal in den Archipel gesproken en geschreven. Op Java worden drie verwante talen gesproken: Soendaneesch (West-Java), Javaansch (Midden- en Oost-Java) en Madoereesch (Madoera en Noordkust van Java's Oosthoek).

In velerlei opzichten is Nederlandsch Indië een rijk land: a. weelderige plantengroei: vele eilanden, vooral Borneo en Sumatra, waar de bevolking dun is, zijn vrijwel bedekt met één groot tropisch oerwoud (regen-wouden); in de droogere streken en op minder vruchtbaren bodem de bosschen (djati-tjemara-en bamboe); boomsoorten: de palm (kokos-olie-sago-lontar-, mangroves (= rhizophoren) bamboes-riet etc; boschproducten: kamfer, rotting, gom-copal, damarhars etc; b. groote vruchtbaarheid: landbouw en cultures; de landbouwgewassen van de Inlanders zijn hoofdzakelijk rijst (nat en droog), mals (djagoeng) cassave (= maniokwortel) en aardnoten; de cultures, vooral door de Europeanen uitgeoefend, worden naar de belangrijkheid verdeeld in groote (suiker, rubber, tabak, thee en koffie) en kleine (kina, cacao, vezelplanten, (o.a. katoen), muscaatnooten, kruidnagels, indigo, vette oliën), naar de plaats in laagland- en bergcultures, naar den levensduur in één- of meerjarige gewassen; de volgende tabel geeft een nadere indeeling voor Java en de Buitengewesten (n.1. voor de wereldmarkt)-: