is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32

INDIVIDUALISME — INDRINGERS

Individualisme. Wanneer iemand een zwak sociaal gevoel heeft, steeds op zijn punt blijft staan en zich weinig of niets om het zeggen en doen van anderen bekommert, noemt men zulk een persoon een individualist. Zijn fout is het individualisme.

De menschen van dit genre zijn de Einspanner in onze maatschappij, het zijn lieden die niet in een gareel kunnen loopen, die, eigenzinnig en eigenwillig, voor geen prijs de hun dierbare mèeningen, die gewoonlijk door streng persoonlijke motieven gedragen worden, willen prijsgeven. Verreweg de meesten komen buiten den stroom van'het leven te staan; de stroom gaat aan hen voorbij; ze verdorren en verstarren. Aan zeer weinigen van de individualisten gelukt het den stroom naar zich toe te trekken ; dan drukken zij op anderen hun stèmpel en maken van hen al te bereidvaardige volgelingen. [ 14.

Individualiteit is de eigensoortigheid, de eigenheid van het enkele ding in de werkelijkheid. Ieder ding behoort tot een bepaalde klasse of groep. Toch heeft het in zich iets bizonders en eigens, waardoor het zich van alle andere exemplaren van zijn soort onderscheidt. Deze individualiteit van het enkele ding is reeds van beteekenis in de anorganische wereld, maar van nog veel grooter waarde in de organische schepping. Elke plant, elk dier heeft iets eigens, heeft individualiteit, is een individualiteit. Ieder mensch is van zijn naaste door bizondere kenmerken naar ziel en lichaam onderscheiden en in dien rijkdom der menschelijke individualiteit schittert de rijkdom van de ideeën Gods. Ieder individu is door God voorgedacht. Het is de roeping van den mensch zijn individualiteit te ontwikkelen tot persoonlijkheid. Zie R. Müller—Freienfels. Philosophie der Individualiteit, 1920. [ 14.

Indolentie, van het Latijnsche indolentia, eigenlijk pijnloosheid, vandaar: ongevoeligheid, onverschilligheid, zorgeloosheid, slapheid, traagheid.

Indra, in de oudste tijden de hoogste godheid der Indiërs.

Indringers. Van deze „indringers" lezen wij in den tijd der reformatie in de 16e eeuw, toen de opleiding en roeping tot het predikambt nog niet waren geregeld en een zekere klasse van personen, die in een maatschappelijk beroep en in eenvoudigen handenarbeid geen zin hadden, van de gelegenheid gebruik maakten om zich als predikers op te werpen. Op vele plaatsen waren er nog geen ambten ingesteld en kwamen de geloovigen zonder ambtelijke leiding samen. En de gemeenten, die zich door reformatie van de Roomsche dwaalleer gezuiverd hadden, en waar de ambten reeds ingesteld waren, stonden nog niet voldoende met elkander in verband. Vandaar dat gewezen priesters, die bij Rome wel in het ambt stonden, doch geen bepaalde plaats hadden; verloopen monniken, die geen ambt bekleedden, maar een soort derden stand vormden tusschen den clerus en de leeken in; en voormalige Dooperschen, die vooral tegen vaste ambtsdragers en een wetenschappelijke opleiding waren, zich trachtten in te dringen in den kerkedienst.

De beste elementen onderwierpen zich spoedig aan een onderzoek en zochten op ordelijke wijze een gemeente te krijgen. Maar de onkundige en zelfzuchtige elementen, die uit eigen belang handelden, trachtten steeds aan alle onderzoek (examen) te ontkomen. Zij zondigden voornamelijk in drieërlei opzicht: vooreerst, omdat zij zonder wettelijke roeping (vocatie) en onderzoek (examinatie) zich in den kerkedienst trachtten in te dringen; voorts, omdat zij als losse predikanten zoo maar hier en daar gingen prediken, zonder zich aan een bepaalde gemeente te willen verbinden; en ten derde, omdat zij zonder bewilliging van den kerkeraad zich opdrongen en in andere kerken het woord en de sacramenten bedienden. Zij beriepen zich zelfs op het voorbeeld der apostelen en evangelisten om hun optreden te verdedigen, en de eenvoudige geloovigen er voor te winnen. Dat waren immers ook rondreizende predikers, die van de eene plaats naar de andere trokken. Maar reeds de synode van Dordrecht, 1578, weerlegde in artikel 7, deze dwaling door de opmerking, dat „het ambt der apostelen en evangelisten reeds langen tijd in de gemeenten opgehouden is". En terecht, want de apostelen waren er wel eerder dan de kerken en zij waren ook niet aan de plaatselijke kerken, gebonden, maar zij waren de stichters der kerken en dus van buitengewoon karakter, terwijl de evangelisten hun helpers waren en van zelf verdwenen, toen er geen apostelen meer waren.

Het was dan ook dringend noodig, dat de kerken aan deze „indringers", ook wel „loopers" genoemd, paal en perk stelden. Zij deden dit dan ook spoedig door enkele bepalingen in haar Kerkenordening op te nemen. Al aanstonds in artikel 3, waar staat, dat niemand, al zou hij ook doctor, ouderling of diaken zijn, zonder wettelijke roeping in den dienst des Woords en der Sacramenten mocht optreden. En terecht, want „niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aaron" (Hebr. 5 : 4). Voorts in artikel 4, waar bepaald wordt, dat de wettelijke roeping bestaat in de electie (verkiezing), de examinatie (onderzoeking), de approbatie (goedkeuring), en in de confirmatie (bevestiging), overeenkomstig 1 Tim. 3 : 10: „En dat deze ook eerst beproefd worden, en dat zij daarna dienen, zoo zij onbestraffelijk zijn", en 1 Tim. 5:22, waar Paulus waarschuwt: „Leg niemand haastiglijk de handen op". Verder in artikel 7, waar bepaald werd, dat uit de roeping ook voortvloeit een vaste verbintenis aan een bepaald arbeidsterrein. En eindelijk in artikel 15, waar staat: „Het zal niemand geoorloofd zijn, den dienst zijner Kerk onderlatende of in geen vasten dienst zijnde, hier en daar te gaan prediken buiten consent en autoriteit der Synode of Classe. Gelijk ook niemand in een andere Kerk eenige predikatie zal mogen doen of Sacramenten bedienen, zonder bewilliging des Kerkeraads van die Kerk". Wie zich aan deze bepalingen niet stoorde, werd als een „scheurmaker" aan de kerken bekend gemaakt. En zoo werden de kerken van vele lastige en gevaarlijke indringers bevrijd. [ 11.