is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INSTRUCTIE - INTEGRITEIT

57

I maar van kerk heelemaal geen sprake zijn. Want kerk is het inbegrip der verlosten, en van verlossingen van den Verlosser is er eerst sprake na den zondeval. De kerk als samenvatting der verlosten, organisch genomen, vindt eerst in de [ zonde haar motief. Maar de verdere doorwerking I der zonde maakte ook de kerk als een eigen, van het gezin, de familie, de natie en den staat I onderscheiden instituut noodzakelijk. AanvankeI lijk na den val bestond de kerk in institutairen I vorm nog niet. De • godsdienst was eerst nog alleen zaak van het gezin, verder van de familie I en eindelijk van het nationale leven. Maar toen I de zonde doorwerkte, bleek het ai meer dat I Israël de zaak der religie niet handhaven kon, en dat zij uit de gezins-, familie- en nationale banden, waarin ze gewikkeld was, moest losgewikkeld worden, en dat de kerk in een eigen I institutairen vorm moest optreden, om alle volken en natiën te kunnen zegenen. Vandaar dan ook I dat Christus de kerk uit Israëls volksleven loswikkelde en naast het instituut van den staat I het eigen instituut der kerk instelde. Beide, staat I en kerk, zijn dan ook instellingen van Gods genade om de zonde te bestrijden, maar dan met dit onderscheid, dat de overheid een gave van Gods algemeene genade is, „opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde, en het alles met goede ordinantie onder de menschen

toe Sa". Art. 3fi rler r,pl^rvfchoU.Mo„;o j_

Gereformeerde kerken in Nederland; terwijl de I geïnstitueerde kerken uit de bijzondere genade I zijn voortgekomen, en tot doel hebben den zondaar te redden van de zonde en die geredden samen te vergaderen.

Daaruit volgt van zelf het tijdelijk karakter van het kerkelijk instituut. Wijl het alleen om der zonde wil is ontstaan, zal het ook eens weer verdwijnen, wanneer de zonde zal zijn te niet gedaan. Het treedt op onder leiding van het ambt en in de bediening van Woord en Sacrament. Maar juist de ambten en de bediening der genademiddelen hnnrlpn hii Ho •»<.ri»i.n^ot

van Christus op. In het hemelleven zullen wij Igeen Bijbel meer hebben en zal alle Sacrament wegvallen; daar geen ambten, daar geen geI schreven belijdenis, daar geen prediking des I Woords, daar geen bediening der Sacramenten jen daar geen Kerkenordening meer, omdat de V*«komen en rechtstreeksche gemeenschap met God hersteld zal zijn; en waar dat doel bereikt lis, kunnen de genademiddelen wegvallen. Het instituut draagt dus een voorbijgaand karakter Het komt op met den Pinksterdag, het houdt stand de eeuwen door, maar het verdwijnt ten Ijongsten dage. Als eens alle uitverkorenen zijn [toegebracht, zijn er geen bijzondere ambten en Bs er zelfs geen Bijbel meer noodig. De kerk tels organisme daarentegen is onveranderlijk, ligt past in het mystieke lichaam van Christus en fzal eerst in het rijk der heerlijkheid in de volkomen en ongestoorde gemeenschap met God üneëenig door onzen Heere Jezus Christus volmaakt zijn. Zie over kerk als instituut en als organisme het art. Kerken verder Dr. H. Bavinck Gedeformeerde Dogmatiek2, dl. IV,329 v.v., 355 v v • Pr. A. Kuyper, De Gemeene Gratie1, dl. II 167 B49-256; 111,30-36,98,101-103,112 314. [ ll!

Instructie noemt men het geheel der voorschriften, die iemand voor de vervulling van een ambt, een beroep of een bepaalde werkzaamheid, door zijn opdrachtgever worden verstrekt. Aan ambtsdragers in de kerk van Christus wordt geen instructie gegeven. Hun opdrachtgever is Christus, de Koning der kerk en Christus heeft in Zijn Woord geopenbaard, wat de taak der ambtsdragers is en hoe ze die hebben te vervullen. Daarentegen kan een kerkeraad aan allerlei door hem benoemde personen (collectanten, kosters enz.) en commissies (commissie van administratie enz.) een instructie geven. Ook een classis of synode kan aan haar deputaten een mondelinge of schriftelijke instructie geven, desgelijks geschiedt het bij zending, evangelisatie enz. Op schoolgebied geeft het bestuur een instructie aan de onderwijzers enz. Een instructie is geen arbeidscontract, regelt dus niet de verhouding tusschen twee partijen, maar bepaalt, wat de eene partij de andere opdraagt. Hetgeen natuurlijk niet wil zeggen, dat een instructie niet in gemeenschappelijk overleg kan worden opgesteld. Een instructie moet duidelijk omvatten, wat opgedragen wordt, doch ook wat er geschieden mnpt als Hp nnHr^ht™,»,

oordeelt, dat de instructie is overtreden of de aangestelde, dat iets opgedragen werd, dat in

StrÜd is met de instriirrip In Ha r.r<w<JL-

het meestal zóó, dat alleen bij moeilijkheden

uc msiruuiie woroi geiet. Doorgaans loopen bij verstandige menschen de dingen vanzelf goed. [ 17.

Insula sanctorum. Zoo werd eens Ierland genoemd om de krachtige en bloeiende kerk welke op dat eiland gevonden werd. [ 24.

Integriteit beteekent ongeschondenheid. Het woord wordt vooral gebezigd van geschriften en duidt dan aan, dat het geschrift nog verkeert in denzelfden staat, als waarin de schrijver het gaf, er is niets van verloren gegaan en niets ingelascht. Zoo spreekt men ook van de integriteit van de Bijbelboeken, en twist men over de

vicmg, ui ueze ooeKen veranderingen hebben ondergaan, sinds ze werden geschreven. Hoewel deze vraag natuurlijk kan worden gesteld, heeft ze bij de Bijbelboeken slechts tot op zekere hoogte zin. Men kan namelijk wel onderzoeken, of een boek uitgebreid is of stukken verloor, sinds het werd geschreven, maar dat is niet het punt, waar het bovenal op aankomt. Het gezag van de Bijbelboeken hangt niet af van den menschelijken auteur, die ze schreef, maar van de inspiratie, van de vraag, of ze „van God zijn" (Art. 5 Nederlandsche Geloofsbelijdenis). En indien Deut. 34 niet door Mozes is geschreven en dus oorspronkelijk niet in het boek voorkwam, indien er veel voor pleit om te zeggen, dat het Evangelie van Johannes aanvankelijk eindigde met hoofdstuk 20 en het 21ste hoofdstuk later werd toegevoegd, is daarmede nog niet gezegd, dat zulke hoofdstukken niet bij de boeken behooren. Men zou het ook zóó kunnen zeggen df integriteit van een Bijbelboek raakt het boek' zóó, als het door God bestemd was voor de kerk van alle tijden. Gronden om de integriteit van eenig boek in twijfel te trekken zijn er öf afdoende, wanneer b.v. alleen exemplaren bekend