is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

ISRAËL

partij buiten de Kamer partij te kiezen, brak hij eenvoudig de samenwerking met de antirevolutionaire kamerleden af. Meer dan getalsterkte en invloed was hem het beginsel waard. Hij isoleerde zich van hen, hij zonderde zich af en ging op zichzelf staan als een veldheer zonder leger. Hij zette het mes in de wonde om het kankerzweer geheel uit te snijden. Geweldig dunden de gelederen. Zijn getrouwen waren weinigen. Van Zuylen afvallig, Keuchenius naar Indië, Coorders gestorven, Saussaye en Beets uit het Christelijk Nationaal Schoolonderwijs uitgetreden, en vele antirevolutionairen in de conservatieve partij opgelost. Maar door zijn doortastendheid redde hij de zelfstandigheid der antirevolutionaire partij. Voor de stembus van 1871 stelde hij slechts drie candidaten: Dr. A. Kuyper, Mr. Keuchenius en Van Otterloo. Door die daad kwamen de antirevolutionairen, hoe gedund de groep ook was, weer vrij en zelfstandig te staan in eigen land. Het beginsel was gered, de eer was behouden en het vaandel onbesmet bewaard. En zóó heeft Groen van Prinsterer in 1872 de leiding der antirevolutionaire partij aan Dr. A. Kuyper overgedragen. [11.

Israël is, profaan-historisch gezien, het volk, dat uit de Semitische wereld, nader uit den Hebreeuwschen volkerengroep is voortgekomen, in Egypte zijn bakermat heeft gevonden en in Kanaan zijn woonplaats, waar het een langen tijd heeft doorgemaakt van worsteling en een korten tijd van bloei, waarop een periode van langzame verwording is gevolgd bij het uiteenvallen in twee groepen, welke ten slotte uit „der vaderen land" zijn weggevoerd en waarvan slechts een ten deele is teruggekeerd, die, eerst onder vreemde heerschappij in Kanaan levend, de schakel is geworden, welke de elders verbreide volksdeelen samensnoerde en daarna onder eigen stamhuis een korten tijd van nationale verheffing heeft gekend, totdat zij, geleidelijk wegzinkend,' in 70 n. Chr. met stad en tempel ook den laatsten schijn van eigen volksbestaan verliest om nu verder in steeds breederen kring der volken verstrooid, als een eigensoortige, meer religieus dan nationaal getinte groep voort te leven.

Heilsgeschichtlich gezien is Israël het volk, dat langs zeer bijzonderen weg uit de aartsvaders is 'ontsproten en bij den Sinaï door God tot „zijn volk" is gemaakt, welks levenswet in een van alle andere volken afwijkende richting is gestuwd in overeenstemming met de taak, waartoe het bestemd was: om des Heeren in legaten vorm tot hen komend „onderricht" allereerst in eigen volksleven te realiseeren en daarna tot de andere volken uit te dragen; dat daarna in Kanaan in syncretisme en baaiisme wegzinkend, door telkens zich vernieuwende reformatorische stroomingen voor den ondergang is behoed, totdat het in Samuël een reformator ontving, die het weer aan des Heeren „onderricht" bond, en in David een koning, die, op den door Samuël gelegden levensbodem voortbouwend, Israël maakte tot den beheerscher van het lot der Palestijnsche volken; dat door Salomo's staatsopportunisme van zijn levensgrond losgeweekt, straks niet alleen zijn nationale eenheid verliest, maar tevens in nieuwe vormen van syncretisme en baaiisme

wegzinkt, die zich intusschen in het Noordelijke rijk in sterkere mate doen gevoelen dan in Juda, dat althans door eenige vrome koningen tot Davids levenswet wordt teruggevoerd; in welks midden door een steeds grootere groep van profeten geworsteld wordt tot behoud en ontplooiing van de sinds Mozes in het volk ingedragen geestelijke goederen, die Israëls gansche leven willen beheerschen en alle herinnering aan den tijd der „vaderen aan de overzijde der rivier" (Joz. 24 : 2) willen uitdrijven, ten einde het tot „des Heeren volk" te maken; dat steeds meer wordt verstrikt in den strijd der volkeren, wier goden het zoekt, totdat eerst Israël en daarna Juda door het land worden „uitgespuwd" (Lev. 18 : 25); dat ook in de ballingschap door den „God des verbonds" niet wordt verlaten, zoodat althans in de Judeesche helft een groep overblijft, die zonde belijdt en om genade bidt en, uitziende naar „des Heeren machtige daden" in 536 gereed staat om met vergunning van Cyrus naar „der vaderen land" terug te keeren, ten einde daar naar 's Heeren „onderricht" te leven; dat daar, ondanks den arbeid van Ezra en Nehemia steeds meer in legalistische wateren verzeilt en tot Jodendom verwordt, zoodat het, in eigengerechtigheid wegzinkend en in vormendienst zijn kracht zoekend, straks „den aan de vaderen Beloofde" niet herkent en onder leiding van Farizeën en Sadduceën niet rust, voordat het Jezus van Nazareth, die van een gansch andere wedergeboorte spreekt dan waarnaar zij haken, aan het kruis heeft geslagen en daarmede eenerzijds eigen ondergang heeft bezegeld, maar anderzijds aan de wereld den Heiland heeft geschonken, die uit „alle geslacht en taal en volk en natie" een nieuw „Israël" bouwen gaat, waarin des Heeren „onderricht", maar nu niet meer in legalistischen vorm, als een levensstroom invloeit, totdat werkelijkheid wordt wat Israëls groote zonen reeds profetisch hebben geschouwd, dat „alle koningen zich voor Hem neder buigen en alle volken Hem dienen" (Ps. 72 : 11).

Het volk dankt zijn naam aan de levenservaring van den aartsvader Jacob, die bij den Jabbok met God worstelend zijn naam veranderd ziet I in dien van Israël (eigenlijk Jisra-'êl), omdat I hij met God en menschen geworsteld en overmocht had (Gen. 32 : 28; de Staten-Vertaling minder juist: zich vorstelijk gedragen). Dat wil nu echter niet zeggen, dat Israël naar taalkundige wet zou beteekenen: „die met God strijdt". Veeleer beteekent het „God strijdt". Deze naam was blijkbaar niet ongewoon. Althans, Isj-re-il komt ook v.oor in het opschrift van een Babylonisch zegel uit pl.m. 2600 v. Chr. Sommi ger vermoeden, dat Israël een vervorming zou zijn van Jësjar-'el (— God is rechtvaardig) steunt op niets.

Voor het verschijnsel, dat de Israëlieten, zoodra ze tegenover vreemdelingen staan, zich gaarne aandienen als Hebreën (zie o. a. Gen. 40 : 15; Exod. 2:7; 3:18; Jona 1 : 9), waarom ook dezen hen gaarne noemen met dezen naam (Gen. 39 : 14, 17; Ex. 1 : 16; 2 : 6 e. e.), welke oorspronkelijk een veel breederen volkerengroep aanduidt, zie het art. Hebreeën.

De oorsprong van het volk gaat intusschen