is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

94

ISRAËL

(1 Kon. 2 : 15), is het aan Bathseba's zoon Salomo voorgehouden geweest om de door David begonnen lijn voort te zetten en het door David verworvene in den weg van vrede en gerechtigheid te versterken. Hij consolideert de monarchie, handhaaft Israëls positie en bouwt een tempel, die de eenheid des volks moest symboliseeren en ook naar buiten spreken moest van rijkdom en macht. Daar met dit laatste de opheffing van het tabernakel-heiligdom, waar Zadok zoo lang dienst had gedaan, samenviel, werd de tempel het nationale heiligdom. Bovendien trachtte Salomo nog meer dan David om zijn volk in nauwer contact te brengen met Feniciërs, Filistijnen en Sabéërs en nam met en door hen deel aan het handelsverkeer van dien tijd. En eindelijk zette hij den ombouw van het volksleven in de richting van een door een krachtig centraal gezag beheerschten staat met groote volharding door.

Er waren intusschen eenige belangrijke punten, waarin hij afweek van David. Allereerst zijn streven naar de absolute monarchie, waardoor eeuwenoude rechten werden besnoeid of vernietigd en een breede schare ambtenaren, die als dienaren des konings volkomen van hem afhankelijk waren, de plaats innamen van stamhoofden, die in eigen kring een voldoende tegenwicht vonden tegenover te ver gaanden koninklijken invloed. Vervolgens zijn verheffen van staatsopportunisme tot maatstaf ook van religieus handelen, waardoor hij er toe kwam in Kanaan te dulden wat niet mocht worden geduld: den dienst van vreemde goden. En eindelijk het opsmelten van de Kanaanieten in Israël, waardoor het oude stamverband in nog meerdere mate werd verzwakt en de rechte vereering des Heeren ernstig gevaar liep.

Deze drie factoren droegen de kiemen tot ontbinding van het Da vidische rijk in zich, gelijk reeds uit Edoms verzet, Damascus' afval en Jerobeams opstand openbaar wordt (1 Kon. 11 : 14 v.v. 40).

Zoodra Salomo gestorven is, stort Davids rijk ineen. Efraïms separatisme, dat een vruchtbaren levensbodem vindt bij hen, wier belangen door den uitbouw van het koningschap zijn geschaad, viert hoogtij, nu de levensgrond is verlaten, waarop Israël alleen groeien kan: de dienst des Heeren naar zijn thora. Rehabeams verwatenheid is slechts de druppel, die den emmer doet overloopen, en Sichems zang brengt slechts onder woorden, wat sinds lang in veler hart leeft (1 Kon. 12). Op den puinhoop van Davids machtig bouwwerk verrijzen twee nauwelijks levensvatbare plantingen. De eene vindt haar levensgrond in Juda en blijft David trouw; de andere in Efraïm en verheft Jerobeam ten troon. Wel tracht Rehabeam nog met wapengeweld te herstellen wat, wijl van God vervreemd, ontkracht was weggezonken, maar daarmede doet hij niet anders dan in onzaligen broedertwist ook de laatste krachten verteren.

Onmiddellijk maakt Sisak (= Sjesjonk 1945— 924), de eerste koning der uit Libyë stammende 22ste dynastie, in 928 hiervan gebruik om WestJordaanland binnen te trekken en zoowel Juda als Efraïm te brandschatten. Straks gaat ook het Arameesche rijk van Damascus zich met de Palestijnsche zaken bemoeien en maakt het zich

onder Benhadad I van Noord-Galilea meestér (1 Kon. 15:16—21), waarna het bijna voortdurend tegen Noord-Israël strijden blijft, totdat het in 733 door Assyrië vernietigd wordt.

In beide rijkjes, die op zeer vijandigen voet met elkander blijven staan, totdat 80 jaar later Achab en Josafat tot de erkentenis komen, dat beide te veel belangen gemeen hebben om elkander te bestrijden, wordt een geest van afval openbaar, die het ergste doet vreezen. De Astarte-dienst grijpt in juda onder Rehabeam steeds meer om zich heen, zoodat zelfs „gewijden", die in haar dienst zich tot tegennatuurlijken wellust leenen, in Jeruzalem worden gezien (1 Kon. 14:22—24), en de koningin Maacha deinst er niet voor terug „een afschuwelijk voorwerp voor Asjëra" te maken, waarschijnlijk een onzedelijke afbeelding der godheid als natuurkracht. In Noord-Israël tracht Jerobeam zijn troon te stutten door de beide oude heiligdommen te Dan en te Bethel tot den rang van „koninklijke heiligdommen" (Am. 7 : 13) te verheffen, waar de Heere onder het beeld van een gouden stierkalf zal worden vereerd en ook niet-levitische priesters zullen offeren (1 Kon. 12 : 28—32; 2 Kron. 11 : 14). Daarmede drijft hij Israël op een weg, die ten ondergang leidt. „Jerobeams zonde" wordt Israëls graf.

Terwijl in Juda echter een reformatorisch streven zich baan breekt onder Asa (1 Kon. 15:11—15), gaat Israël op den ingeslagen weg voort, ook al verandert het op bloedige wijze van koningshuis en geeft het zich een krachtig koning in Baësa. Welke tegenstrijdige stroomingen hier werken blijkt straks, wanneer zich aan Baësa's huis wreken gaat, dat het door moord aan de regeering is gekomen. Slechts zeven dagen lang heerscht Ela's moordenaar Zimri in het koningspaleis te Tirza. Het bij Gibbethon (in het oude stamgebied van Dan) liggende leger dwingt hem onder aanvoering van Omri in den brandenden koningsburcht van Tirza den dood te zoeken. Doch Omri moet eerst vier jaar lang tegen Tibni strijden, voordat hij zich meester noemen mag van Noord-Israël, dat straks van hem in Samaria een nieuwe koningsstad krijgt (1 Kon. 16:8—24).

Onder Omri's huis, dat een viertal koningen aan Israël geeft, begint een periode van politieken opbloei. Steunend op Fenicië weten Omri en zijn zoon Achab de wonden van den burgerkrijg te heelen, den strijd met Damascus in betere banen te leiden, in Oost-Jordaanland Moab tot den Arnon terug te drijven en het te dwingen tribuut op te brengen (zie 2 Kon. 1:1 en breeder het Mesa-inschrift) en door een bondgenootschap met Juda aan een tachtigjarigen strijd een einde te maken (1 Kon. 22 : 45). Zoo staat Israël dan ook bij de steeds meer naar het Westen opdringende Assyriërs bekend als „Omri-land".

Maar tevens is dit een tijd geweest van zedelijk en religieus verval. Mede onder den invloed zijner Tyrische politiek trekt Achab de konsekwenties uit „Jerobeams zonde" en eischt voor den Tyrischen Melkart een plaats op naast Israëls God. Voor hem wordt in Samaria een tempel gebouwd met een massëba (Staten-Vertaling: Opgericht beeld) en een asjëra (1 Kon. 16 : 33; Staten-Vertaling: bosch; 2 Kon. 10 : 24, 26) en