is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JEREMIA

137

begaf zich toen naar Mizpa, dat door Gedalja tot zijn residentie was gekozen en bleef daar verblijf houden, totdat diens verraderlijke vermoording de achtergebleven Joden deed besluiten < om naar Egypte uit te wijken. Wel ontraadde Jeremia hun dit ten sterkste in 's Heeren naam, maar zij lieten zich niet gezeggen, en voerden ook hem tegen wil en dank met zich mee. In Egypte heeft de profeet toen nog aankondiging gedaan van een succesvollen krijgstocht dien Nebukadnezar tegen dit land zou ondernemen; hij doet het zijn volksgenooten weten dat ze ook daar niet veilig zouden zijn, maar wel ter dege de ellende van den oorlog zouden onder\ vinden. Nog ernstiger is een profetie, door hem eenigen tijd later uitgesproken, toen zij zich klaarblijkelijk reeds in verschillende deelen van het Nijlland hadden gevestigd, en zich daar weer hadden overgegeven aan de afgodische vereering . van de Hemelkoningin, waartegen in veel vroeger :tijd de profeet zijn waarschuwend woord had doen hooren (Jer. 7 : 16—20), en waarbij ditmaal vooral de vrouwen een rol speelden. Een gestreng en vernietigend gericht zal die goddelooze Joden treffen, ze zullen tot den laatsten man om het leven komen, op een enkele vluchteling na, die er in slagen zal naar Juda terug te keeren (jer. 44). Dit is het laatste wat ons van Jeremia in de Heilige Schrift wordt vermeld. Wat de oude Christelijke legende omtrent zijn levenseinde zegt (zie boven) berust niet op eenige mededeeling der Schrift.

ï Er is geen van de profeten, omtrent wiens persoonlijkheid en karakter wij beter zijn ingelicht dan Jeremia. Zijn profetieën bevatten tal van zeer persoonlijke uitingen, die ons in staat stellen een diepen blik te slaan in zijn innerlijk leven. Zoo leeren wij hem kennen als een man anet een bizonder gevoelig gemoed, die een warm hart had voor zijn volk. Het sneed hem door de ziel dat dit volk zoo verhard was, en hij het daarom het strenge oordeel Gods moest aankondigen. Zijn ingewanden krimpen ineen van pijn (Jer. 4 : 19); om Juda's breuk is hij gebroken (Jer. 8 : 21), en hij slaakt de verzuchting: „o ware mijn hoofd water en mijn oog een springbron van tranen, dan zpu ik dag en nacht Beweenen de verslagenen van de dochter van mijn volk" (Jer. 9 : 1). Telkens treedt hij dan hok op als voorbidder en pleitbezorger van zijn volk bij God (Jer. 7:16; 11:14; 14:11; 18:20). Door zijn volksgenooten werd hij evenwel geheel verkeerd beoordeeld. Die begrepen niets van zijn strijd, van de moeite die het hem kostte het Godswoord te verkondigen dat zoo hard was ■oor zijn volk. Zij zagen in hem slechts den somberen zwartkijker, en schuwden daarom zijn gezelschap (Jer. 15 : 17); ja in later tijd, in de periode van den strijd tusschen Jeruzalem en Babel verfoeiden ze hem als défaitist en verrader. Ook deze miskenning deed hem bitter lijden, en bij oogenblikken geraakte hij daardoor in de heftigste beroering, die uiting vond in een klacht als deze: „telkens wanneer ik spreek, moet ik 't uitschreeuwen, moet ik van geweldenarij en mishandeling roepen; want het woord des Heeren is mij geworden tot smaad en spot heel den dag", en die hem er toe leidde om des

Heeren woord te willen verzwijgen — maar, zoo voegt hij er aan toe: „het werd in mijn hart als brandend vuur, opgesloten in mijn beenderen; wel matte ik mij af om het in te houden, maar kon het niet" (Jer. 20:8,9). Zelfs kon het gebeuren dat zijn ontvankelijk gemoed door die miskenning in toorn ontvlamde, en er bittere woorden over zijn lippen kwamen, waarin hij Gods gericht over hen inriep (Jer. 12:1—4; 17 : 18; 18 : 21—23). En op een anderen tijd zonk zijn moegestreden ziel in wanhopige vertwijfeling weg, en klaagde hij dat zijn God hem had verlaten, Zijn toezegging niet gestand had gedaan, maar Zich voor hem had betoond als een uitdrogende beek die in tijd van nood geen water bevat (Jer. 15 : 18); of kwam hij er toe, gelijk Job, zijn geboortedag te vervloeken (Jer. 20 : 14 v.v.).

Deze blik die ons gegund wordt in het zieleleven van den profeet, brengt ons zulk een man Gods meer nabij. We zien in hem, bij al zijn trouw en heldenmoed, een mensch van gelijke bewegingen als wij. Hij had, evenals wij, ook zijn zwakke oogenblikken. Daardoor zien wij hier het werk Gods zooveel te schooner uitblinken. De profetie is geen menschenwerk, want dan zou Jeremia zijn taak nooit hebben ten einde gebracht — ze is het werk van God, die dit door een zwak en zondig menschenkind volbrengt. [ 10.

II. Het Boek Jeremia. Het eerste gegeven voor de wording van het boek Jeremia vinden we in Jer. 36 : 2—4, 32. Daar wordt vermeld hoe de profeet in het vierde jaar van den koning Jojakim op Gods bevel alle profetieën die hij vanaf zijn roeping in het dertiende jaar van Josia tot op dat tijdstip uitgesproken had, met behulp van zijn vriend en medestander Baruch in een boekrol op schrift bracht, en hoe hij, nadat de koning in euvelen moed deze rol had verbrand, denzelfden inhoud in een nieuwe rol opteekende, waarbij deze evenwel ook nog een niet onbelangrijke uitbreiding onderging. Het ligt alleszins voor de hand dat de inhoud van deze oorspronkelijke rol in het tegenwoordige boek Jeremia moet zijn opgenomen, al spreekt het natuurlijk evenzeer vanzelf dat dit met die rol niet samenvalt, daar het onderscheidene profetieën bevat die uit later tijd dan Jojakims vierde jaar dagteekenen. Is het nu mogelijk inhoud en omvang van de oorspronkelijke rol uit het huidige boek Jeremia te bepalen ? Gewoonlijk tracht men dit zóó te doen, dat men alles bijeenzoekt, wat volgens inhoud en opschrift uit den tijd tot het vierde jaar van Jojakim moet afkomstig zijn. Doch deze methode kan bezwaarlijk juist zijn. Immers het is een onbetwistbaar feit dat thans profetieën uit de periode tot Jojakims vierde jaar verspreid staan tusschen stukken uit veel later tijd, en men kan moeilijk aannemen dat de oorspronkelijke rol, die één geheel vormde, later zou zijn versnipperd geworden. Het is zoo goed als zeker, dat deze rol, indien die in het boek, zooals wij het nu bezitten, werd opgenomen, daarin in haar geheel, ongewijzigd, een plaats vond. Maar dan zullen we ook moeten aannemen, dat niet alle profetieën die het tegenwoordig boek Jeremia uit den tijd tot op het vierde jaar van Jojakim