is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

154

JEUGD

levens vallen maar in de tweede helft der jeugdperiode.

Hoe meer nu deze rijpere jeugd zonder eenigen twijfel veelszins ontaard is in de landen die den wereldkrijg mee hebben gevoerd, daar de jongens en meisjes bij te weinig toezicht zich aan tallooze dikwijls ergerlijke baldadigheden konden schuldig maken en ze bij gebrek aan arbeidskracht hooge loonen konden verdienen, welk geld werd verbrast; en in de niet-oorlogvoerende landen de geest van den tijd verruwing der zeden meebracht, van welke ongunstige factoren ook na het sluiten van den vrede de gevolgen nog nawerken ; en hoe meer in onze dagen allerlei omstandigheden, meer in het algemeen, de gevaren die de rijpere jeugd bedreigen vermenigvuldigen, als bijv. de vèrdoorgevoerde fabrieksarbeid aan de ééne, groote werkeloosheid in allerlei takken van bedrijf aan de andere zijde, de revolutionaire gedachte, de toenemende verachting van wetten en normen, het spotten met godsdienst en zedelijkheid; hoe meer zorg aan die jeugd zal zijn te besteden en de beste wijze van opvoeding der rijpere jeugd zal zijn te bestudeeren en in practijk te brengen. Deze opvoeding staat dan ook tegenwoordig in het middenpunt van veler belangstelling. De eerste taak dier opvoeding berust zonder twijfel bij het gezin. Ten tweede is hier een taak der kerk, met name langs den weg van het catechetisch onderwijs en de prediking. Ten derde heeft op dit gebied de overheid een roeping, bepaaldelijk ook door op allerlei wijs hef mogelijk te maken dat het onderwijs, in zijn verschillende geledingen, degelijk zij en door allerlei maatregelen te nemen waardoor de tuchteloosheid wordt tegengegaan, de publieke eerbaarheid beschermd, en dergelijke. Naast die overheid heeft echter ook de maatschappij hiér taak en hebben degenen die in het maatschappelijk samenleven met jeugdigen van jaren omgaan hun groote verantwoordelijkheid te beseffen om zorg te dragen voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van allen tot de behartiging van wier belangen zij op de eene of andere wijze kunnen of moeten meewerken. Voorts heeft te dezen aanzien het vereenigingsleven een zeer groote beteekenis; waarbij de in ledental omvangrijkste der bestaande bonden, de Nederlandsche Bond van |ongelingsvereenigingen op Gereformeerden Grondslag (zie het artikel) door God voor de talloos velen tot rijken zegen is gesteld.

Wat nu de afbakening van leeftijdsgrenzen betreft, deze is, vooral naar beneden, niet gemakkelijk te geven. Oudtijds kende en gebruikte men de onderscheiding van driemaal zeven jaren; onze wetgeving doet de strafrechtelijke mondigheid beginnen bij het voleindigde zestiende levensjaar. Evenwel deze onderscheiding is te uiterlijk. Anderen zoeken dan ook het begin van de nieuwe periode in het jeugdleven bij het intreden der puberteit; dit heeft veel vóór mits men in acht neemt dat ook de aanvangen dezer puberteit niet plotseling komen, maar langs de lijn van ontwikkeling. Vandaar dat de term praepuberteitsperiode daarnevens in zwang gekomen is, waarmee men bedoelt dat er jaren zijn, die dichter bij den kinderleeftijd liggen, maar die het overgangstijdperk voorbereiden. In dit over¬

gangstijdperk is dan nog wel weer verschil gemaakt tusschen de eerste en latere jaren, tusschen neo-pubères en de eigenlijke pubères (Mendousse). Zoodat we onderscheiden, welke onderscheiding eischen. stelt voor de wijze van opvoeden, tusschen jongens van 11 a 12 tot 14 en van 14 a 15 tot 17 jaar en dan daarboven. Bij meisjes treedt de puberteit ongeveer twee jaren eerder in; het begin valt bij het meisje op 13 a 14 jarigen leeftijd. Het Vereenigingsleven maakt gewoonlijk onderscheid tusschen knapen en jongemeisjes èn jongelings- en meisjesleeftijd; laat de tweede periode bij het zestiende jaar beginnen; terwijl anderen pleiten voor het 17e jaar als aanvangsjaar (Prof. Hoekstra, De ziel van den Jongeling; referaat De Rotterdamsche Bondsdag 1924, bl. 21). Het meisje is eerder jonge vrouw dap de jongeling jonge man; bij hem loopt het naspel der puberteitsperiode door tot den 21 a 24 jarigen leeftijd.

In den overgangsleeftijd krijgt de lichamelijke ontwikkeling geleidelijk schot. Op de verschijnselen die zich daarbij voordoen behoort de knaap en het meisje eenigermate voorbereid en daarover behoorden zij op voorzichtige en teedere wijze ingelicht te worden; over de sexueele voorlichting die zich in veel wijderen zin hierbij zou kunnen aansluiten, zijn de meeningen zeer verschillend (zie het artikel).

De sexueele gevaren zijn zonder twijfel in deze periode groot. Ze dreigen van buiten; zij dreigen van binnen, daar 't hart onrein is; een overprikkelde verbeelding kan de voorstellingswereld vullen met wat er uit behoorde geweerd te blijven ; onzedelijke lectuur werkt bederflijk op ziel en zinnen. Hier is toezicht noodig, waarschuwing en bescherming. Natuurlijke „voorbehoedmiddelen" voor zedelijke besmetting zijn: bevordering van de gezondheid van lichaam en geest, sterking van de wilskracht om te strijden tegen wat niet betaamt, aankweeking van den zin voor het edele en reine, werk, afleiding, niet alléén laten enz. Geestelijke krachten die lichaam en ziel bewaren zijn geloof, gebed, gehoorzaamheid aan Gods gebod. Alcoholische dranken behooren voorts contrabande te zijn; de invloed die een doelmatige beoefening van sport, mits binnen juiste grenzen blijvend, op het jonge zich ontwikkelende lichaam kan hebben, mag worden toegejuicht.

Maar ook de ziel doorloopt in deze jaren een opmerkelijken ontwikkelingsgang.

Na de rust van het „volwassen kind" (de jaren onmiddellijk-voorafgaande aan de praepuberteitsperiode), komen nu de jaren van de velerlei onrust. De jaren der tegenstrijdigheden. De jaren der groote veranderingen. De jaren van sterke ontwikkeling van het gevoels- en gemoedsleven.

Het persoonlijkheids-besef ontwaakt; het gevoel van zelfstandigheid en „eigenwaarde" breekt door. Men gaat letten op het uiterlijk voorkomen; men wil geen kind meer zijn en ook gaarne in termen, die het grooter doen, worden aangesproken. Men wil zich losmaken van het verleden en inleven in de toekomst. Eigen inzicht laat men gelden; aan dikwijls voorbarige en oppervlakkige meeningen houdt men met hardnekkigheid vast. Critiek wordt uitgeoefend schier op alles en allen;