is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JEUGD

155

met name op wat afwijkt van de gewone maat. De fantasie bloeit op met kracht; zij kleurt de

wc-Keiijiuieia mei onwezenlijke verwen; mijmeren en droomen en dwepen is aan de orde van den dag; tegenover de hardheid en ruwheid van het leven, met welke de opgroeiende jeugd bewust kennis maakt, biedt deze fantasie een gelukkig

icgeiiwicnr. i_>e wereld der gewaarwordingen, voorstellingen, verbeeldingen netcrincran en \„o*a„

krijgt een nieuwen inhoud; ten zeerste moet er

vuui wuruen gewaakt aai ze niet den verkeerden kant uitgaan in het botvieren der jeugdige

uauaiuimeii; met name oe zonde der zelfbevlekking (zie het art., is pen HreicrenH

De kracht van den wil wordt sterker; zij kan ontaarden in driestheid van allerlei aard, brutaliteit, grove onbeschaamdheid in 't heHHivon «o«

allerhande zonde, verzet plegen tegen de wettige

u verneiu en uergeiijxe. bij „relletjes" die met name

ui uc giuuic sieuen nernaaioeujk voorkomen zijn jeugdige personen büna altiid rlp raHHraaiprc

De tegenstrijdigheden, die een zeer voornaam

n.cuuicrK van ueze penoae uitmaken, zijn te constateeren op allerlei terrein. Prof. Bavinck zegt er van (Opvoeding der rijpere jeugd, bi. 144): „Nu eens weet de rijpere jeugd bij gebrek aan harmonie in de opvoeding, van opgewondenheid en uitgelatenheid niet wat ze doen zal, dan weer zit ze neer in zak en asch. Ze slingert heen en weer tusschen levenslust en levenszatheid, overmoed en moedeloosheid, zaligheidsdroomen en zelfmoordsgedachten. Nu eens is ze tot elke zelfopoffering bereid, dan weer vervalt zij tot laffe zelfzucht. IJdelheid en onverschilligheid, fatterigheid en vlegelachtigheid, liefde en wreedheid, hervormingszucht en lusteloosheid, genotzucht en ascese, wisselen bij haar, soms in korte tijden, af'. Op dezen tweesprong des levens moet dan gedaan worden de goede keus. Want „uit de gisting van alle fysische en psychische krachten kan straks wel is waar een platvloersche egoïst, een cynicus, een twijfelaar, een spotter, een bon vivant of een misdadiger te voorschijn komen. Maar uit de worsteling kan ook zegevierend geboren worden een edel mensch, een nuttig burger, een kloek belijder, een persoonlijkheid met besliste overtuiging en krachtigen wil".

De gesignaleerde tegenstrijdigheden staan in nauw verband met het sterk gevoelsleven der rijpere jeugd. Alle psychische verrichtingen staan in deze periode „sterk onder den invloed van lust- en onlustgevoelens, van sympathieën en antipathieën, van liefde en haat, ja van bloote opwellingen en bevliegingen. Die intensiteit veroorzaakt ook de illusie dat de gevoelens echt en diep, de gedachten waar en origineel, de oordeelen rechtvaardig en juist zijn. In werkelijkheid zijn ze echter hoogst oppervlakkig en wisselvallig. De wordende mensch verwisselt ze met een voor den volwassene verbijsterende snelheid en ongegeneerdheid. Maar zelf wordt hij zich daarvan niet bewust, daarvoor is hij nog te veel gelegenheidsmensch" (Dr. J. H Gunning Wzn., Problemen der Rijpere leued 2e dr. 1924, bl. 41). J s '

De puberteit is de periode van sterk geloof en hevigen twijfel, van onberedeneerd dwepen

en van ongenadig afkammen. De behoefte aan leiding wordt daarbij wel beseft; men zoekt elkaar in het sterk-oplevend club- en vereenigingsleven, maar men begeert daarbij toch ook (liefst jonge) leidsleiden, wier tactvol optreden veel goed kan doen. Men heeft behoefte aan bewondering, zoekt degenen die veel meer weten dan de jeugd kan weten — middelmatigheden en onbeduidendheden duldt men niet — maar eischt toch ook weer van die veel-wetenden dat zij hun wijsheid en wetenschap zonder er op prat te gaan te berde brengen. Het geaffecteerde en de pedanterie is der jeugd een gruwel. Natuurlijk kan verkeerde invloed — ook van in bepaalde kringen gezaghebbende geschriften — in ontzaglijke mate verderfelijk werken; maar een imponeerende edele hoogstaande persoonlijkheid kan velen tot onberekenbaar grooten zegen zijn.

Het onderscheid dat er in deze periode is tusschen knaaj>jongeling en meisje hangt samen met t algemeen onderscheid dat er is tusschen man en vrouw, met veelvuldige sexeverschillen waarover te zijner plaatse in dit werk wordt gehandeld (vgl. bijv. ook Prof. Hoekstra, Psychologie en Catechese, 1916, bl. 38—51).

Wat de kwestie der religieuze ontwikkeling aangaat: in dit tijdperk gaat de kinderreligie (zie art. Kind) over in het religieuze leven dat den overgangstijd kenmerkt. Ondanks groote variëteit merken we nu hier drie groepen op (Hoekstra, a. w. bl. 48 v.): a. de groep dergenen die blijven voortgaan langs de goede lijn en blijdschap toonen te hebben in het betrachten van den dienst des Heeren; b. de groep van hen die in deze periode geen lust hebben om den Heere te vreezen, bij wien de kinderlijke vroomheid verdwijnt, die nog ter kerk gaan uit fatsoen, uit conventie, door dwang, maar die Straks blijken voor den dienst- OnHc v»rin«n ._.

zijn; c. de groep van zulken die veel beloven in de kinderperiode, op wie moeders groote verwachtingen bouwen, die reeds in jonge jaren zoo ernstig bidden, bij wie er evenwel later een inzinking komt, die tot onverschilligheid vervallen, halsstarrig worden, naar vermaningen niet luisteren, maar aan het einri van Hit tKHno-i,

weer terecht, immers tot bekeering komen en berouwvol terugkeeren, na eendoolweg bewandeld

te hebben, tot de OOrünrnnlreliilrA Wm.q rlJp „..

verdiept en bevestigd, die nu levenskeus wordt.

ui ucu juiigeiingsieeinjd vormt zien de Christelijke persoonlijkheid : het evneentrle^ha a„

kinderreligie maakt voor het theocentrische

, uc juiigciwg zucht, zijn piaats die ntj moet innemen in het geheel en trarht

*oat te worden in welke verhouding hij persoonlijk staat tot Christus. In den regel gaat dat niet zonder strijd; voor niet weinigen is het de storm- en drangneriode: allprlei 7ieic-m<»et».,

gewetenspijnen kunnen zich voordoen. Maar naast degenen die verloren gaan staan dezulken

die behouden bliiven • genen waan Ho ,i,o,oM ;„

dezen komen tot bewuste aanvaarding van dé weldaden van het genadeverbond, tot openbare belijdenis van het geloof dat in hen wordt gevonden.

De jongelingsleeftijd is He WftiiH w-,-,™., hq

jongeling zijn idealen vormt en waarop hij komt