is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JEZUS

173

deren geweest werken van verlossing en tot hulp, waarin Hfl Zich, naar Gods bevel (Matth. 15 : 24; Joh. 6 : 38; 5 : 36), en in afhankelijkheid van Hem (Joh. 5 : 19, 30; 11:41—42), bewees den sterkere dan satan (Mare. 1 : 23—27; Matth. 8 : 28—33; 15:21—28; 17:14—18,e.a.), Verlosser van alle lichamelijke krankheid, als blindheid (Matth. 9 : 27—30; Joh. 9 e.a.), doofheid en stomheid (Luc. 11 : 14 e.a.), lamheid (Mare. 2 : 3—12 e. a.), melaatschheid (Matth. 8 : 1—4; Luc. 17 : 11—19), en van allerlei ander lichamelijk lijden (Matth. 8 : 5—13; 9 : 20—22; Mare. 3 : 1—5; Luc. 13 : 10—13; 14 : 1—4; Joh. 4 : 46—53 ; 5 : 2—9), Overwinnaar over den dood, en Beschikker over het leven (Mare. 5 : 35—43; Luc. 7:11-17;Joh. 11),Beheerscher van de krachten der natuur, van storm en golven (Mare. 4 : 35—41 e.a.), op welke laatste Hij Zelf wandelen kon, en anderen doen wandelen (Matth. 14 : 25—32), Die het bevel voerde ook over de visschen der zee (Luc. 5 : 4—10; Joh. 21 : 3—6), en het water veranderen kon in wijn (Joh. 2 : 7—10), en enkele brooden en visschen vermeerderen, zoodat duizenden gevoed werden, en men meer overhield, dan waarmede men begonnen was (Joh. 6 : 5—13; Mare. 8 : 1—9). Hij betoonde Zich daardoor een Redder uit alle ellende, Bevrijder van allen nood, Zaligmaker naar lichaam en ziel, voor tijd en voor eeuwigheid (Mare. 2:5; Joh. 11 : 25—26).

12. Reeds terstond stuitte de Heere op tegenstand bij de Joodsche oversten, de priesters en Schriftgeleerden (Joh. 2 : 18; 3 : 2a), zoodat Hij den dood tegemoet zag (Joh. 2 : 19;

3 : 14), en wellicht mede vanwege hun vijandschap later uit Judea uitweek naar Galilea (Joh. 4 : 1—3). Bij het volk had Hij aanhang gevonden, zoodat velen in Hem geloofden, zij het ook niet allen met dat geloof des harten, dat zich geheel aan Hem doet overgeven (Joh. 2 : 23—25). Zijn wonderen deden ook Israëls leeraars Hem houden voor een man van God gekomen (Joh. 3:2); en maanden later (Joh.

4 : 35) ontvingen de Galileers Hem om die wonderen nog met blijdschap (Joh. 4 : 45). — In Galilea was het ook toejuiching van Hem door de scharen, die zich ontzetten over Zijn woord en Zijn werk (Mare. 1 : 27; Luc. 4 : 22), en van allen kant naar Hem toestroomden, waar Hij ook was (Matth. 4 : 24—25; 9 : 37—38; 13 : 2; 14 : 13 v.v. e.a.). Zij hielden Hem voor een groot profeet (Luc. 7 : 16), öf Elia, öf Jeremia, öf iemand anders van de profeten, dus een vroegeren, uit den dood teruggekeerden Godsman (Matth. 16 : 14), öf den herleef den Johannes den Dooper (Mare. 6 : 14—16; Luc. 9 : 7—9). Ja, men zag Hem ook wel aan voor den profeet, en zelfs voor den Messias (Joh. 7 : 40—41). Na de wonderbare spijziging was de schare van dit laatste zoo overtuigd, dat zfl Hem met geweld zelfs dwingen wilde, als Israëls koning optetreden (Joh. 6 : 15). Als Zone Davids riep men Hem aan (Matth. 9 : 27; 20 : 30) en begroette men Hem (Matth. 21 : 9). Maar ondanks dien grooten toeloop der scharen, had het volk als geheel zich toch niet aan Hem overgegeven, maar van Hem afkeerig gehouden, en niet van Hem willen weten, noch naar Hem willen hooren (vgl. Joh.

3 : 26 met vs. 32; Matth. 11 : 19—24). Ook zelfs bij wie Hem volgden, was net beginsel niet altijd zuiver (Joh. 6 : 26), noch de rechte zielsgebondenheid door waarachtig geloof des harten aanwezig (Joh. 2 : 24—25 ; 8 : 31 v.v.), zoodat velen van hen teruggingen, toen Hij niet aan hun aardsche Messiasverwachtingen wilde voldoen (Joh. 6 : 66). De inwoners van Nazareth, Zijn eigen stadgenooten, namen Hem niet aan, maar wilden Hem van de steilte van den berg, waarop hun stad gebouwd was, werpen (Luc.

4 : 29). En ook anderen hebben meermalen getracht, Hem te dooden (Joh. 7 : 30; 8 : 59;

10 : 31). Vooral echter na de spijziging der 5890, en 's Heeren weigering om naar de begeerte der scharen als aardsch koning optetreden (Joh. 6 : 15), beginnen de scharen te verloopen, en verlaten Hem ook velen dergenen, die eerst tot Zijn discipelen behoorden (Joh. 6 : 66), zoodat ook de Heere Zich meer aan het volk onttrekt, en naar de grensstreken trekt (Tyrus en Sidon, Mare. 7 : 24, Decapolis, Mare. 7 : 31, Caesarea Filippi, Mare. 8 : 27). Deze gang van zaken heeft den Heere wel leed veroorzaakt om de menschen zeiven (Matth. 11 : 20), en Hij heeft daarvan het droeve smartelijk gevoeld (Joh. 6 : 67). Maar nimmer heeft Hij Zich een anderen loop der gebeurtenissen voorgesteld (Joh. 2 : 19, 24; 10 : 31), gelijk ook wel blijkt uit Zijne gelijkenis van het zaad, waarvan zulk een groot deel door allerlei oorzaak geen vrucht droeg (Matth. 13 : 1—23). Hij is niet m'et schitterende verwachtingen opgetreden, waarin Hij Zich echter later bedrogen gezien zou hebben. Zijn besnijdenis, Zijn doop, de geheele profetie, waaraan Hij als Gods Woord geloofde, Israëls schaduwdienst, leerden het Hem van den aanvang anders, dan om Zich een zegetocht te denken als van een aardsch koning, waarbij het gansche volk zich bij Hem zou aansluiten (Joh. 12 :24). — De Joodsche leidslieden hebben zich van den beginne tegen Hem gesteld (Joh. 2 : 19; 4 : 1; Mare. 2 : 6, 16; 3 : 2), aldoor scherper (Mare. 3 : 22; 7 : 1 v.v.; Luc. 14 : 1 v.v.), om eindelijk ook tot Zijn dood te besluiten (Joh. 5 : 18), en te trachten dien te bewerken (Joh. 7 : 32;

11 : 47—53), en ten laatste metterdaad Hem dien aan te doen op de verschrikkelijkste wijs (Matth. 26 : 50, 57, 65—67; 27 : 1, 20—23, 35 v.v.).

13. Zes dagen vóór het Lijdenspascha kwam de Heere met Zijn discipelen te Bethanië (Joh.

12 : 1), waar Hem in het huis van Simon den melaatsche een maaltijd bereid, en Hij door Maria gezalfd werd (Matth. 26 : 6—16; Mare. 14 : 3—11; Joh. 12 : 2—8). Mattheüs (26 : 2) en Marcus (14 : 1) spreken wel van twee dagen; maar de maaltijd door hen genoemd (Matth. 26 : 6; Mare. 14 : 3), kan toch ook tevoren gegeven zijn. Op de dan volgende dagen komen 's Heeren intocht in Jeruzalem (Mare. 11:1—10), Zijn vervloeking van den vijgeboom, die den volgenden morgen verdord bleek (Mare. 11:13— 14,20—25); twistgesprekken met Schriftgeleerden, Farizeën, en Sadduceën (Mare. 11 : 28—12 : 40 e.a.); het verhaal van de arme weduwe, die twee kleine geldstukjes, haar geheelen leeftocht, in de schatkist wierp (Mare. 11 : 41—44 e.a.), en dat van Grieken, die den Heere wenschten