is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JUSTIFICATIE

245

moment, dat wij door het geloof de weldaden van Christus toestemmende en toeëigende subjectief deel ontvangen aan wat buiten ons reeds gereed ligt. Daarbij heeft het geloof geenerlei verdienste. Wij worden niet gerechtvaardigd omdat wij gelooven. Het geloof is allerminst het fundament, waarop wij kunnen steunen. Vanwege de waardigheid van ons geloof zijn wij Gode niet aangenaam. Alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus is onze gerechtigheid voor God; zonder eenige verdienste onzerzijds spreekt Hij ons vrij, en het geloof is alleen de hand, waardoor wij die weldaad kunnen aannemen en toeëigenen. Wij worden om niet gerechtvaardigd, en alles, alles, wat wij bezitten is louter genade. Ons geloof is een gave; ons goede werk is een gave, en de rechtvaardigmaking is geen vrucht van de heiligmaking, gelijk menig dwalende Christen meent, maar onze godzalige wandel is een vrucht van het zaligend feit, dat God ons vrijspreekt van schuld en straf. Hierbij moet nog iets worden opgemerkt. Al kunnen wij de weldaad der rechtvaardigmaking niet anders aanvaarden dan door het geloof, toch mogen wij allerminst meenen, dat de rechte verhouding tot God meer of minder volkomen zou zijn naar de mate of sterkte van ons geloofsleven. De rechtvaardigmaking is een rechterlijke daad Gods, die geschied is of niet; wij gaan vrijuit of wij zijn schuldig; Christus heeft alles voor ons volbracht of niet, en een tusschenweg is er niet. Van meer of minder is hier geen sprake, en al is het geloof, dat de Geest Gods in ons werkt, nog slechts in kiem aanwezig; al heeft de Heilige Geest het vermogen nog niet tot het volle geloof ontwikkeld, ook dan is er gemeenschap met Christus, en staat hij, die dat vermogen bezit, rechtvaardig voor God. Maar wat wel samenhangt met de mate des geloofs is het bewustzijn van onze vrijspraak, en de vertroosting, die uit onze rechtvaardigmaking voortvloeit. Die smaken wij des te meer, naarmate ons geloof krachtiger is. Zinkt ons geloof in, verslapt het vertrouwen, dan is dit nog geen bewijs, dat wij Zijn kinderen niet zijn, maar wel wijkt het besef van de groote en rijke weldaad, dat de Rechter ons vrijspreekt, in de schaduw. De gerechtigheid zelve kan niet verloren gaan. — En nu eindelijk: de rechtvaardigmaking voltooit zich in het laatste oordeel, in den dag der dagen. Dan worden allen geopenbaard voor Christus' rechterstoel, en dan zal de rechtvaardige Rechter allen, die van eeuwigheid als rechtvaardigen beschouwd zijn; die door Christus' verdienste gerechtvaardigd werden, en door het geloof zich die weldaad toeeigenden, voor aller oog en oor rechtvaardig verklaren. Dan openbaart zich wat in Gods besluit en Christus' werk reeds vastlag, en voor het bewustzijn en het geweten der geloovigen reeds vaststond in volle heerlijkheid, en hooren Gods kinderen: „komt in, gij gezegenden, beërft het koninkrijk, dat u bereid is voor de grondlegging der wereld". Zoo sluit zich de eeuwigheid aan de eeuwigheid aan. Het eene eind van de keten ligt in het eeuwig besluit en is de rechtvaardigyerklaring van eeuwigheid; het andere eind rust in het laatste oordeel en is de laatste openbare

rechtvaar-digverklaring en daartusschen is de rechtvaardigmaking in den tijd in Christus'werk en ons geloof.

Nog een enkel woord moet gesproken worden over de weldaden, die in de rechtvaardigverklaring liggen opgesloten. Zij is de rechterlijke daad Gods, waardoor Hij zondaren, die krachtens hun organisch verband met Adam in een staat van doemschuldigheid verkeeren, om de verdienste van Christus, Wiens gerechtigheid hun wordt toegerekend, vrijspreekt van schuld en straf, en recht geeft op het eeuwige leven. Hierin komt terstond het verschil uit met de heiligmaking. De rechtvaardi^verklaring geschiedt buiten den mensch en neemt de schuld weg; de heiligmaking vindt in den mensch plaats, en neemt de smet weg. De rechtvaardigverklaring maakt onzen staat voor God weer recht, en de heiligmaking herstelt den innerlijken toestand. De rechtvaardigverklaring is dus juridisch van aard en vindt ineens, in een rechterlijke uitspraak, in een vonnis, in een juridische daad plaats, en de heiligmaking is ethisch van karakter, en duurt, omdat de vernieuwing een proces is, van de wedergeboorte tot onze heerlijkmaking. In de rechtvaardigverklaring schuilt dus eerst de verzoening van onze zonden; de kwijtschelding van onze schuld; het ontslagen zijn van de wet; de vrijheid in Christus, maar ook de aanneming tot kinderen. Opdat, zoo zegt de apostel Paulus, Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden (Galaten 4 : 5). Dit kindschap is zeer zeker ook vrucht van de wedergeboorte, gelijk het in de brieven van Johannes meer voorkomt, maar het komt ons ook toe, omdat wij tot kinderen worden aangenomen en gesteld. Die aanneming tot kinderen kent twee momenten. Het eerste is dit, dat wij reeds kinderen zijn: Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus (Galaten 3:26), en het tweede bestaat hierin, dat wij de aanneming, d. i. de volle openbaring van het kindschap nog verwachten: verwachtende de aanneming tot kinderen, n.1. de verlossing onzes lichaams (Rom. 8 : 23). Deze bestaat in het ingaan in de erfenis, waarvan Gods kinderen erfgenaam zijn. Want, indien wij kinderen zijn, zoo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus (Rom. 8 : 17). Daarom geeft de rechtvaardigverklaring ook recht op het eeuwige leven, en maakt de verkorenen en gerechtvaardigden erfgenamen van de erfenis, die in de hemelen bewaard wordt. Dat vloeit uit de vrijspraak voort. Is de rechtsverhouding weer zuiver, dan wacht ook weer de heerlijkheid, en de kinderen Gods, die bekleed worden met het fijne lijnwaad van de rechtvaardigmaking der heiligen worden gekroond met de kroon der rechtvaardigheid. Zoo is de rechtvaardigverklaring een werk van den drieëenigen God. De rechtvaardiging van eeuwigheid is het werk des Vaders; de rechtvaardiging door het geloof is het werk des Heiligen Geestes, die Christus' werk toepast in onze harten, — en de rechtvaardiging in 's Heilands dood en verrijzenis en in het eindgericht is het werk van den Zoon, Wien de Vader al het oordeel heeft overgegeven. [21.