is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KANT

279

komen, kunnen zich aan zijn probleemstelling niet ontworstelen. De filosofie na Kant, hetzij ze zich bij hem aansluit, hetzij, ze tegen hem opponeert, staat onder zijn invloed.

Immanuël Kant werd den 22sten April 1724 te Koningsbergen als zoon van een zadelmaker geboren. Zijn ouders hoorden tot de piëtistische kringen in de Luthersche landskerk. Zijn moeder schijnt een godvruchtige vróuw geweest te zijn. Hoewel Kant het geloof zijner ouders verloor, heeft de religieuze opvoeding toch in zooverre nagewerkt, dat hij in zijn godsdienst-wijsbegeerte niet tot het radicalisme is vervallen, waartoe hij van de principia zijner theoretische wijsbegeerte uit, eigenlijk had moeten komen.

Na in zijn vaderstad het collegium fridericianum, een opvoedingsinstituut in piëtistischen geest, afgeloopen te hebben, studeerde hij in de jaren 1740—1746 aan de universiteit van Koningsbergen, waar hij de lessen in de filosofische faculteit en ook enkele in de theologische faculteit volgde.

Toen de academische studie beëindigd was, werd hij huisleeraar bij aanzienlijke families. Hij kon daardoor in zijn eigen levensonderhoud voorzien (zijn ouders waren inmiddels gestorven) en vond tevens gelegenheid verder te studeeren. In 1755 liet hij verschijnen zijn Naturgeschichte und Theorie des Himmels; in hetzelfde jaar promoveerde hij tot doctor in de filosofie op een proefschrift De igni. in dit jaar trad hij op als privaatdocent aan de universiteit te Koningsbergen, waar hij les gaf in logica, metafysica, wiskunde en fysica.

Van 1755—1770 is hij privaatdocent geweest en toen benoemd tot gewoon hoogleeraar in de wijsbegeerte, na voor benoemingen te Erlangen en te Jena bedankt te hebben. Kant wilde liever in de plaats blijven, waar hij geboren en getogen was. Van reizen hield hij niet. Hij heeft heel zijn leven geen stap buiten de provincie gezet. Toen hij later door verschillende universiteiten beroepen werd, een enkele maal zelfs op dubbel tractement, verkoos hij toch in zijn geboortestad te blijven.

In de jaren dat Kant privaatdocent was, heeft hij o.a. geschreven: Beobachtungen über das Gefiihl des Schónen und Erhabenen, 1764; Trdume eines Geistersehers, 1766, welk geschrift tegen Swedenborg was gericht. Op 46-jarigen leeftijd aanvaardde hij het hoogleeraarsambt met een inaugureele rede over den vorm en de principia der zintuiglijk waarneembare wereld en van de intelligibele wereld (De mundi sensibilis atque intelligibilis forma et principiis).

De jaren 1770 tot 1780 vormen een periode, waarin Kant heel weinig heeft gepubliceerd. Het zijn zware jaren van rusteloos nadenken en vorschen geweest. Als vrucht van zijn tienjarige denkworstelingen verscheen in 1781 zijn hoofdwerk: Kritik der reinen Vernunft; tweede, vrij sterk gewijzigde, uitgave in 1787. Dan volgen in snel tempo andere werken: Prolegomena zu einer jeden künftigen Metaphysik, die als Wissenschaft wird auftreten können, 1783; Grundlegung der Metaphysik der Sitten, 1785; Metaphysische Anfangsgründe der Naturwissenschaft, 1786; Kritik der praktischen Vernunft, 1788; Kritik der Urteilskraft, 1790.

Van 1780—1790 is de hoogtij in Kants leven. Men spreekt en schrijft over hem. In andere universiteiten worden colleges gewijd aan de geschriften van den wijsgeer uit Koningsbergen. Het getal studenten groeit.

Na 1790 nemen zijn krachten af en verliest hij; de scherpte van geest. Betrekkelijk vroeg trad de ouderdom in. In 1796 is zijn denkkracht geheel uitgeput. Na eenige jaren van langzaam voortgaande verzwakking is hij 12 Februari 1804 gestorven.

In deze periode zijn nog verschenen: Die Religion innerhalb der Grenzen der blossen vernunft, 1793; Das Ende aller Dinge, 1794; Zum ewigen Frieden, 1795; Der Streit der Fakultdten, 1798; Anthropologie in pragmatischer Hinsicht, 1798.

De werken van Kant zijn sinds 1900 verschenen in een uitgave van de Berlijner Academie. Deze geheel volledige uitgave bedoelt standaardeditie te zijn. Goed is de tweede uitgave van Hartenstein, 1867—68. Aanbevelenswaardige edities zijn ook die van K. Vorlander e.a. in de Philos. Bibliothek en de uitgave van E. Cassirer, 1912— 1918. Enkele hoofdwerken in goede tekstcritische uitgave zijn opgenomen in de Reclam-Bibliothek.

In de ontwikkeling van Kants denken onderscheiden we 1°. de vóór-critische, 2". de critische periode.

in de vóór-critische periode, van 1747—1770, houdt Kant zich eerst bezig met natuurwetenschappelijke vraagstukken, gelijk blijkt uit het werk Natuurgeschiedenis en theorie des hemels, dat in 1755 het licht zag. Dit werk is aanvankelijk vrijwel onbekend gebleven, zoodat, toen de Fransche natuurkundige Laplace pl.m. veertig jaar later ongeveer dezelfde theorie voor het ontstaan van den kosmos gaf, deze van het bestaan van Kants boek niets afwist. Deze theoria van wereldverklaring, bekend als de KantLaplace-hypothese komt in menig opzicht met die van Leucippus en Democritus overeen, welke de wereld door opeenhooping van atomen laat ontstaan. Kant wil door de mechanische wetten ons zonnestelsel, ja heel het wereldsysteem verklaren. Geef mij materie, zegt Kant, en ik zal u daaruit een wereld opbouwen. Het wereldgeheel zal zich eenmaal weer oplossen in een chaos, om dan weer, naar de wet van druk en stoot, aantrekking en afstooting, een nieuwen kosmos te vormen. De gedachte van een successie van werelden heeft Kant eveneens aan het denken van de Grieksche oudheid ontleend.

Van 1760 tot 1770 oefent de wijsgeer Hume een sterken invloed op Kants denken uit. Hij richt zijn denkarbeid vooral op metafysische en kentheoretische vraagstukken. Het rationalisme, dat bij Wolff tot een volledig systeem is uitgegroeid, had een ontzaglijk vertrouwen in het menschelijke intellect, voornamelijk in de rede. Uit de redewaarheden kan alle kennis afgeleid worden, uit de redewaarheden is het wezen der dingen te verstaan. De wetten, die voor ons denken gelden, gelden evenzeer voor de buiten ons denken zich bevindende werkelijkheid. Tegen deze rationalistische grondstelling heeft zich de Engelsche wijsbegeerte verzet. De Engelsche filosofen hebben betoogd, dat kennis van de