is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KATOEN — KATTENBUSCH

309

naar Doodewaard in de Betuwe om boerenknecht te worden. Hier legde hij op 19-jarigen leeftijd belijdenis des geloofs af. Als Bijbelcolporteur doorreisde hij van 1856—1859 het grootste gedeelte van Nederland en een goed stuk van Vlaamsch-België. De nu volgende jaren gaven hem groote afwisseling van beroepen. Daardoor werd hij gevormd tot wat hij worden moest: de man van de Christelijke arbeidersbeweging. Allerlei vakken van de arbeiders zag hij van nabij niet alleen, maar leerde hij uit de practijk kennen: schilderen, suiker-bewerken, steen behandelen, hout kennen, landarbeid, gas fabriceeren, metselen. Door zijn eerste opleiding voor zeevaart, later voor onderwijzer, leerde hij intusschen meer dan veel arbeiders destijds. En zijn reizen als colporteur deden hem het land door en door kennen. Van 1874 tot 1886 was Kater verbonden aan de Bierbrouwerij „De Gekroonde Valk" van den heer Hovy. Hier leefde onze metselaar in dagelijksche aanraking met den vriend zijner jeugd, den timmerman Bart Poestat. Gedurende de eerste jaren was deze aan de uitgebreide onderneming zijn onmiddellijke baas. Later werd Kater metselaar-onderbaas. Samen hebben ze groote werken in dien dienst uitgevoerd: verscheidene arbeiderswoningen gebouwd, benevens een mouterij. Maar van meer belang is dat Kater en Poesiat met hun patroon de belangen van den werkman bespraken, tengevolge waarvan in 1877 het Nederlandsch Werkliedenverbond „Patrimonium" werd opgericht. Sinds 1886 redacteur van het orgaan van Patrimonium, wijdde hij zich geheel aan het Verbond. Als voorzitter, journalist en volksredenaar heeft deze merkwaardige man in het Christelijk-sociale leven een invloed geoefend, die tot op onzen tijd voortduurt. Ook aan den kerkelijken strijd te Amsterdam in de eerste dagen van Januari 1886 heeft hij een werkzaam aandeel genomen. Hij overleed 26 October 1916. [ 30.

Katoen of boomwol, afgeleid van het Arabische woord kotn, is de wol- of haarachtige stof, die uit de opperhuid der zaden van katoenboomen ontspringt. Deze haren kunnen tot 6 centimeter lang worden, zijn schroefvormig gedraaid en worden door een dunne cuticula omgeven. De katoenboom (gossypium) komt in verschillende soorten en variëteiten voor en behoort tot de familie der malvaachtigen (malvaceae). Katoenboomen zijn meerendeels struikgewassen; ze hebben gelobde bladeren en gele of roode klokvormige bloemen, die talrijke, tot een zuiltje vergroeide, dus eenbroederige meeldraden bezitten, en wier vrucht een samengestelde doosvrucht is, die met kleppen openspringt en een aantal zaden bevat ter grootte van een erwt. Deze zaden dragen de boven vermelde wolharen, die wit, geel of bruin van kleur zijn, de zaaddoos geheel vullen en bij het openspringen er als een dot wol, boomwol, uitpuilen. De zaden komen nu onder het bereik van den wind en worden gemakkelijk verstrooid; daarom moeten ze dadelijk na het openspringen der zaaddoos verzameld worden. Het zaadpluis wordt nu van de zaden verwijderd, vervolgens gesponnen en geweven Deze geweven stoffen dragen meer in 't bizonder den naam van katoen. Uit de overgebleven zaden

wordt door uitpersing een oliesoort verkregen, die katoenolie heet en o.a. bij de margarinebereiding gebruikt wordt. De belangrijkste gekweekte katoenboomen zijn:

1. Tak van een katoenboom. 2. Opengesprongen doosvrucht. 3. Zaad met witharen.

I gossypium barbadense, in het Zuiden der Vereenigde Staten en in Egypte; g. peruvianum, in Zuid-Amerika; g. religiosum, die lichtbruine wolharen heeft en vooral in China wordt aangekweekt; g. arboreum, die 6 meter hoog wordt, in tropisch Afrika. Ook op Sumatra, Java en Selebes wordt door de inlanders de Indische katoenplant of kapasplant (g. herbaceum) aangekweekt, doch hoofdzakelijk voor eigen gebruik. De meeste katoen komt nog altijd uit NoordAmerika. De hoofdzetel der Nederlandsche katoenindustrie is Twente; ook in Helmond zijn katoenfabrieken. Door de Egyptenaren werd reeds in overoude tijden de katoenplant aangekweekt. In den Bijbel komen echter de woorden katoen en boomwol niet voor, en er is geen reden om in sommige teksten (Ex. 26 : 1; 27 : 16; 28) katoen in plaats van linnen te lezen. Men moet den katoenboom niet verwarren met den 50 meter hoogen kapokboom (ceiba pentandra), die tot de wolboomgewassen (bombacaceae) behoort, en welks doosvrucht een groote hoeveelheid wolharen bevat, die echter niet uit de zaden, maar uit den vruchtwand ontspringen. [ 31.

Kattenbuscb (Ferdinand Friedrich Wilhelm) werd in 1851 te Kettwig aan den Rijn geboren, studeerde te Bonn, Berlijn en Halle, vestigde zich in 1873 als repetent te Göttingen, waar hij in 1876 privaat-docent werd, trad in 1878 als gewoon hoogleeraar op te Giessen, in 1904 te Göttingen en in 1906 te Halle.

Van zijn geschriften trokken vooral de aandacht: Lehrbuch der vergleichenden Konfessionskunde I (Prologomena. Die orthodoxe anatolische Kirche) en Von Schleiermacher zu Ritschl, Zur