is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

330

KEPLER

Kepler (Johannes), beroemd sterrenkundige, werd 27 December 1571 in het ZuidDuitsche plaatsje Weil der Stadt geboren en overleed 15 November 1630 te Regensburg.

Zijn geheele leven, vol tegenspoed, moeite en strijd, was gewijd aan de beoefening der natuurwetenschap. Dat de opvattingen van Copernicus (1473—1543), volgens welke de aarde in 24 uren om haar as wentelt en in een jaar een omloop om de zon volbrengt, in de zeventiende eeuw triumfeerden over de vroegere opvattingen is te danken aan den arbeid van Qalileo Oalileï (1564—1642) en Johannes Kepler. Zij voerden bewijzen aan voor wat bij Copernicus nog veelszins onderstelling was.

Johannes Kepler bezocht de Latijnsche school te Leonberg en werd om zijn bijzondere begaafdheid voor de theologische studie bestemd. Na met steun van het consistorium der Luthersche kerk de grammatisten-kloosterschool te Adelberg en de kloosterschool te Maulborn bezocht te hebben, werd hij in 1589 ingeschreven als student van de Theologische School te Tübingen. Ook hier muntte hij uit. Zijn leermeester Michael Maestlin (1550—1631), die zich bfl zijn lessen moest houden aan de opvattingen van Ptolemaeus, maakte buiten de schooluren Kepler bekend met de ontdekking van Copernicus. Toen Kepler na 5 jaren zijn studie voltooid had, werd hij benoemd tot 1 eeraar in de wiskunde aan het gymnasium te Gratz. Waarom men den veelbelovenden student in de theologie niet een predikantsplaats gegeven heeft, is niet geheel opgehelderd. Kepler zelf schijnt in deze zaak een passieve rol te hebben gespeeld. Hij verklaarde zich bereid de taak te volbrengen, die men hem opdroeg, van welken aard die ook was.

De 22-jarige Kepler bleek in Gratz goed op zfln plaats te zijn. Tot de ambtsbezigheden van den leeraar in de wiskunde te Gratz behoorde het opstellen van den kalender voor Stiermarken. Deze bevatte ook voorspellingen over het weer en over de voornaamste politieke gebeurtenissen, bepaald volgens de methoden der astrologie. Daar deze voorspellingen de eerste jaren heel goed uitkwamen, verwierf hij den roem van groote geleerdheid en bekwaamheid.

In dezen rijd schreef Kepler zijn boek: De Scheppingsgeheimen in de Werelddiepten. In dit diepzinnig en fantastisch werk trachtte hij een verdediging te geven van het wereldstelsel van Copernicus. Na eenige jaren werd zijn rust verstoord door de godsdiensttwisten. Door de Tegenreformatie moesten vele Protestanten hun land verlaten. Voor deze geloofsgenooten in ballingschap schreef Kepler den z.g. Troostbrief, getiteld Van het Avondmaal des Heeren. Hierom werd hij in 1600 genoodzaakt naar Praag te vluchten.

Aan het hof van keizer Rudolf II werd Kepler de assistent van Tycho Brahe (1546—1601) en een iaar later diens opvolger als keizerlijk astro¬

noom. In deze functie gaf hij in gewichtige aangelegenheden den keizer astrologisch advies. Van veel belang was, dat Kepler de beschikking had over de planeten waarnemingen, die Tycho Brahe van 1580 tot 1596 op de sterrenwacht Uranienburg verricht had. Deze stelden hem in staat tot zijn belangrijke ontdekkingen en maakten

de 12 jaren in Praag tot de vruchtbaarste van zijn leven.

Na den dood van keizer Rudolf II aanvaardde Kepler in 1612 een benoeming tot leeraar aan het gymnasium te Linz. Spoedig kwam hij in moeilijkheden door een conflict over de leer van het Avondmaal. Kepler helde in dit leerstuk over naar het Calvinistische standpunt. De Luthersche predikant ontzegde hem den toegang tot het heilig Avondmaal en eischte onderteekening van het „formulier van eendracht". Keplers uitvoerig bezwaarschrift werd door het Consistorium verworpen. En zoo bleef hij, zoolang hij in Linz woonde, van het heilig Avondmaal verstoken, wat hem zeer verdriette.

Ondanks de vele moeilijkheden, zooals het heksenproces van zijn moeder, en de oorlogsellende heeft Kepler in deze periode verschillende belangrijke werken geschreven. Tengevolge van de Protestantenvervolgingen moest hij in 1626 Linz verlaten. Nog enkele jaren heeft hij zonder vaste woonplaats rondgezworven. Hij verkeerde in armoedige omstandigheden en had nog steeds een vordering van f 12000 op den keizer voor achterstallig salaris. In 1630 begaf hij zich naar den Rijksdag te Regensburg om uitbetaling van dit bedrag te vragen, echter tevergeefs. Terneergebogen door kommer en zorg en gekrenkt door de onrechtvaardige behandeling werd hij te Regensburg ziek. Hij overleed daar op 58-jarigen leeftijd.

Kepler is vooral bekend door de drie belangrijke wetten, die naar hem genoemd zijn. Zij luiden:

I. De planeten bewegen zien in euipsen om ae zon, en daarbij staat de zon in een der brandpunten van de ellipsen. II. De planeten bewegen zich zoo dat in gelijke tijdsruimten even groote sectoren door den voerstraal worden beschreven. III. De kwadraten van de omlooptijden der planeten verhouden zich als de derde machten van de afstanden tot de zon. Deze natuurwetten heeft Kepler ontdekt bij de herleiding van Tycho Brahe's waarnemingen. Naar veler meening werd hierdoor de juistheid van Copernicus' wereldstelsel afdoende bewezen. Kepler heeft een groot aantal boeken geschreven, tot de belangrijkste behooren Astronomia nova en De harmonie der wereld. Aan vele van zijn beschouwingen over symbolische getallenverhoudingen in het zonnestelsel kunnen wij thans geen waarde meer toekennen. Toch is het van belang op te merken, dat hij zich als levensdoel had gesteld „Gods gedachten na te speuren in het werk Zijner handen". Johannes Kepler kan beschouwd worden als de eerste beoefenaar van een Christelijke natuurwetenschap.

Het wekt verwondering, dat Kepler, die een vroom Christen en een helder denker was, de astrologie beoefend heeft. Uit vele van zijn uitlatingen kan echter worden afgeleid, dat hij zelf aan de astrologische profetieën geen geloof hechtte. Hij schijnt het trekken van horoscopen uitsluitend te hebben beoefend als een middel om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij noemde de astrologie een dwaas dochtertje, dat voor haar moeder, de astronomie, moest zorgen. „De moeder zou zeker honger moeten lijden, wanneer haar dochter niets voor haar inbracht." [ 1.