is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KERK EN STAAT

341

Gereformeerde kerk de bevoorrechte kerk werd, kon zij aan den greep der overheid niet ontkomen, evenmin als de Presbyteriaansche kerk in Schotland aan de overmacht van den staat ontkwam.

Met de revolutie van 1789 kwam er weer verandering. Zij beschouwde alle kerk als een vijandige macht, die ten onder gebracht moest worden. Vanwege het knellende juk van den staat werd haar positie een smadelijk afhankelijke en deelde zij in den klimmenden haat, welke zich tegen de heerschende regeeringsstelsels keerde. Zoo heeft de Fransche revolutie den band tusschen staat en kerk geheel doorgesneden. De revolutionaire geest, die door Europa trok, keerde zich niet alleen tegen de oude staatsinstellingen, maar ook tegen de kerk, die als haar orgaan en haar stut werd beschouwd. Zoo werd onder den invloed der vrijgeesterij in het laatst der achttiende en verder in de negentiende eeuw „scheiding van staat en kerk" de lievelingsleuze, welke schier overal bijval vond. Bijzonder opmerkelijk is hierbij wel dit, dat deze leuze door de meest tegenstrijdige richtingen en op grond van geheel onderscheiden, meestal ontkennende motieven wordt aangeheven! De voorstanders van den modernen staat zijn.-er voor, omdat zij meenen op deze wijze de kerk voor goed onschadelijk te maken. De Roomschen, die uit het beginsel leven, dat de kerk over den staat moet heerschen, leggen zich daar, waar zij een minderheid vormen, noodgedwongen bij de scheiding neer, te eer, als zij er de macht der Protestantsche kerk door kunnen breken. De Calvinisten hieven ze aan, omdat zij van vrije kerken, los van den staat, maar iure suo in haar publiekrechtelijk karakter erkend, het meeste heil verwachtten. En toch is de „scheiding van kerk en staaf' nergens volledig doorgevoerd. In Duitschland wilde men haar sinds de revolutie doorvoeren, maar is ze mislukt en heeft men de regeling der verhouding tusschen kerk en staat aan de onderscheiden staten overgelaten. In België is de scheiding in de grondwet vastgelegd, maar draagt de staat bijna al de kosten van den Roomschen eeredienst, laat het onderwijs aan den clerus over en spreekt men van een vrije kerk in een onvrijen staat. In Zwitserland, waar de scheiding voltrokken heet, is men er op bedacht om de kerk hulpdiensten te laten verrichten voor den modernen staat. In Frankrijk heeft men de scheiding bij afzonderlijke wet zoo toegepast, dat de staat zich eenvoudig het eigendomsrecht toekende van kerken, cathedralen, kapellen, tempels, synagogen, paleizen enz., en het bestaan der kerken onmogelijk trachten te maken. En in Amerika, waar men dacht het beginsel der scheiding beter te kunnen doorvoeren dan in eenig ander land, worden toch aan de kerk hier en daar nog stoffelijke en zedelijke voordeelen toegekend, zoodat ook hier van volledige scheiding geen sprake is.

Uit deze historische mededeelingen blijkt duidelijk, dat het vraagstuk van de verhouding van kerk en staat noch door de idee der staatskerk, noch door de idee van een kerkstaat, noch door de idee van de scheiding van kerk en staat tot oplossing is gebracht. Het moge tijdelijk door allerlei andere vraagstukken van sociale,

oeconomische, militaire en internationale strekking op den achtergrond zijn gedrongen, het komt altijd weer terug en de oplossing wordt niet weinig bemoeilijkt door de groote verscheidenheid en verdeeldheid der kerken onderling. Bij de verdere pogingen om het tot oplossing te brengen moet men met de volgende beginselen rekening houden. 1. Dat beide, kerk en staat, wei na den zondeval en om der zonde wil zijn ingesteld, maar toch verschillen in oorsprong, taak, omvang en doel. De kerk is uit de bijzondere, de staat uit de algemeene genade voortgekomen. De kerk heeft een geestelijke, de staat, een burgerlijke taak. De kerk heeft alleen over haarleden, de staat over alle burgers te zeggen. De kerk doelt op de eeuwige zaligheid der zielen, de staat bedoelt den welstand voor dit tijdelijk leven. 2. Dat beide instellingen van kerk en staat een publiek-rechtelijk karakter dragen en op publiekrechtelijke erkenning aanspraak hebben. De revolutionairen beschouwen de kerk als een private vereeniging, alleen voor de binnenkamer bestemd, zoodat de overheid op het publieke levensterrein er niet mee rekenen kan. Maar volgens de Schrift zijn beide, kerk en staat, ieder op eigen terrein zelfstandig. 3. Dat in een Christelijk land de openbaring Gods in Schriften natuur niet slechts voor de kerk, maar ook voor den staat bron en richtsnoer des levens is. Het Woord Gods heeft ook de overheid voor haar taak en wetgeving tot regel te zijn. 4. Dat de staat wegens de pluriformiteit en de verdeeldheid der kerken geen enkele kerk als de kerk mag erkennen of als bevoorrechte kerk mag beschouwen met achterstelling van andere. Zij moet den heiligen kerkedienst bevorderen door alle Christelijke kerken gelijkelijk te beschermen, haar als publiekrechtelijke lichamen te erkennen; haar organisatie, samenkomsten, eigendommenen bezittingen wettelijk te beschermen, alle beletselen voor haar vrije ontwikkeling en voor den vrijen loop des Evangelies weg te nemen; en aan de predikanten, ouderlingen en diakenen in alle voorkomende moeilijkheden, b.v. als hun persoonlijke vrijheid wordt aangetast, èn als burgers van het land volgens de landswetten èn als ambtsdragers der kerk naar de kerkenordening of kerkelijke reglementen, de hand te bieden. 5. Dat de benoembaarheidtot staatsambten niet afhankelijk gemaakt mag worden van het lidmaatschap van een of andere kerk. Alle burgers, die niet wettelijk zijn uitgesloten en niet staatsgevaarlijk zijn, moeten voor de benoeming tot staatsambten in aanmerking komen. 6. Dat bij de zoogenaamde „gemengde problemen", waarbij kerk en staat beide betrokken zijn, zooals de Zondagsviering, het huwelijksrecht, de armenwet, het onderwijs, de godsdienstoefeningen in het leger, in publieke gestichten, hospitalen, gevangenissen enz., niet de kerk moet beslissen, zoodat de overheid volgen moet, evenmin de overheid moet beslissen, zoodat de kerk zich moet onderwerpen, maar kerk en staat door onderling overleg met elkander een regeling moeten treffen, 't zij dan dat de overheid over dergelijke gemengde problemen het advies der afzonderlijke kerken, die er bij betrokken zijn, inwint, 't zij dan dat zij zich door een Raad van advies, waarin alle kerken