is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«4

KERKGESCHIEDENIS

d. De empirische methode van L. von Ranke. Deze methode wil de feiten, zonder ze vooraf gewaardeerd te hebben, voraussetzungslos voorstellen, maar rekening houden met den grooten factor der evolutie. R. Fruin paste deze methode toe op de algemeene geschiedenis en J. G. R. Acquoy op de kerkgeschiedenis.

e. De Schriftuurlijke methode. Deze wil rekening houden met de eerste oorzaken aller dingen, die liggen in God, maar tevens met de tweede oorzaken, die liggen in de menschen. Toegepast op de kerkgeschiedenis moet men letten op de leidingen van Christus met Zijne kerk, want de geschiedenis der kerk is de geschiedenis der Christocratie, maar men moet tevens letten op de middelen, die Christus gebruikt om Zijn kerk te leiden tot het doel, dat God voor haar historie bepaalde.

Verdeeling. De oudste indeeling is die in boeken, zooals men die vindt bij Êusebius en Theodoretus. Deze indeeling is zeer uitwendig, want niet elk boek (Êusebius heeft er 10 en Theodoretus 5) bevat een nieuwe zaak. Evenmin is aan te bevelen de verdeeling in eeuwen, zooals men die vindt in de Maagdenburger Centuriën. Deze indeeling is te kunstmatig. Elke nieuwe eeuw bracht geen nieuwe wending in de historie. De beste indeeling is die in perioden. De eerste, die zulk een indeeling leverde was Hornius (1666). Men moet bij het kiezen van perioden letten op die gebeurtenissen, die van bijzonderen invloed geweest zijn op de historie. Maar dan mogen die gebeurtenissen alleen ontleend worden aan de historie der kerk. Men moet bijv. bij Karei den Groote geen nieuwe periode laten aanvangen, want zijn leven en arbeid behoort bij de wereldhistorie.

Wij geven de voorkeur aan de volgende indeeling:

I. Oude kerkgeschiedenis

Van de stichting der eerste Christelijke kerk tot paus Gregorius I 590.

A. De eerste Christelijke kerk.

Van het Pinksterfeest tot ongeveer het jaar 100.

B. Het ontstaan en de ontwikkeling der Catholieke kerk.

Van het jaar 100 tot het optreden van Constantijn 323.

C. De Grieksch-Romeinsche rijkskerk. Van het jaar 323 tot Gregorius I 590.

II. Kerkgeschiedenis der Middeleeuwen Van Gretrorius I tot de Reformatie.

A. Het ontstaan van de Romaansch-Germaansche kerk.

Van het jaar 590 tot Gregorius VII 1073.

B. De bloeitijd van de pauselijke kerk.

Van Gregorius VII1073 tot Bonifacius VIII1294.

C. Het verval van de pauselijke kerk.

Van Bonifacius VIII1294 tot de Reformatie 1517. 111. Nieuwe kerkgeschiedenis. Van de Reformatie tot heden.

A. Reformatie en Contra-Reformatie. Van het jaar 1517 tot 1648.

B. De kerk in den tijd van het Piëtisme en de Aufklürung.

Van het jaar 1648 tot het einde van de 18e eeuw.

C. De kerk in den tegenwoordigen tijd.

Van het einde der 18e eeuw tot heden. Karakter dier tijdperken. De apostolische eeuw heeft door de instelling der ambten ende teboekstelling der Nieuw-Testamentische geschriften een grondleggend karakter gehad. De periode van 100—323 kenmerkt zich door strijd. Het oude Jodendom en het oude Heidendom riepen een strijd in het leven binnen de kerk en het geweld van den Romeinschen staat etn de Heidensche wetenschap bekampten haar van buiten. Uit dezen strijd kwam de kerk als de Catholieke zegevierend te voorschijn. Haar overwinning werd bekroond, toen Constantijn aan de regeering kwam. In de periode van 323—590 zien we de Catholieke kerk zich huwen aan den staat. Ze wordt daardoor Grieksch-Romeinsche rijkskerk. In die kerk ontwikkelt zich het dogma, wordt het leven veruitwendigd, neemt de leer van de dubbele moraal vaste vormen aan en komt de hiërarchie tot meerdere ontplooiing.

In de Middeleeuwen zien we eerst, hoe de kerk de Germaansche volken in haar schoot opneemt. Onder die volken bemerken wij een sterke begeerte om te hebben één groote staatskerk. Bij de pausen bemerken wij omgekeerd de neiging om te heerschen over de kerk. Zij wilden een kerkstaat (strijd tusschen keizer en paus). De ééne Catholieke kerk scheurde in twee deelen. In de Oostersche kerk was een streven naar caesaropapie, in de Westersche een begeerte naar hiërarchie.

Naast het pausdom ontwikkelt zich het monnikenwezen, en het waren vooral de bedelmonniken, die een macht schiepen van verstrekkende gevolgen. In de kerk ontwikkelt zich het dogma onder de stuwkracht der scholen (Scholastiek). De rechten van het hart zoeken een weg in de Mystiek. Eindelijk bemerken wij aan het einde van dit tijdperk een begeerte naar Reformatie, hetzij door de kerk zelf op haar reformatorische conciliën, hetzij door afzonderlijke secten of personen (Hus, Wiclif enz.).

De nieuwe geschiedenis vangt aan met het machtig feit de Reformatie. De Roomsche kerk had haar kracht gezocht en gevonden in het uitwendige, de Reformatie riep terug naar het inwendige leven des geloofs. De Roomsche kerk had haar kracht in het ambt, in het sacrament, in de goede werken, de Reformatie riep terug naar het Woord des Heeren en de leer der rechtvaardiging alleen door het geloof.

In de eerste periode (1517—1648) zien we den machtigen strijd tusschen Reformatie en ContraReformatie. In het Westen leed de Contra-Reformatie schipbreuk door het optreden van Nederland en Engeland, in het Westen en Oosten door het optreden van Gustaaf Adolf.

In de tweede periode (1648—einde 18e eeuw), had de kerk eerst den invloed diep gevoeld van het Piëtisme en Methodisme. Daarna bemerken wij in de Aufklarung, die voorafgegaan werd door het Deïsme, dat het woord des menschen zich stelt boven Gods Woord, de rede boven het geloof.

In de laatste periode (einde 18de eeuw tol heden) bemerken wij eerst de droeve gevolgen der Revolutie. Een korte opleving (Reveil) bracht weer geloofskracht naar voren. De snelle ont-