is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

384

KIERKEGAARD

meent dat alles te moeten dragen om zóó zichzelf te verloochenen. Onder dit aspect beziet hij yan nu af het ware Christendom. Toch prikkelt het hem tot verzet tegen het kerkelijke Christendom, een verzet, dat zijn scherpsten vorm aannam tegen bisschop Mynster (dien hij tijdens diens leven nog ontzag, omdat hij de geestelijke leidsman van zijn vader was geweest) en vooral tegen diens opvolger bisschop Martensen. Hij had echter ver boven zijn psychische en physische krachten geleefd. Op straat stortte hij plotseling in. Ruim een maand later overleed hij (1855). Zijn afkeer van het officieele Christendom bleef hem tot het laatst bij. Hij wenschte aan zijn sterbed geen predikant te zien, al moest daarom ook zijn wensch het Avondmaal te ontvangen, onvervuld blijven. Volgens de mededeeling van één zijner vrienden ging hij heen in vertrouwen op de genade van Christus.

Zijn leven, vooral zijn innerlijk leven, weerspiegelt zich in zijn geschriften. Evenwel niet zóó. dat dit tot in alle détails zou doorgaan. Zijn fantasie droeg hem soms boven de werkelijkheid uit, drukte hem soms ook beneden de werkelijkheid neer. Zoowel zijn leven als zijn werken worden gekenmerkt door iets psychopathologisch. Dit mag er echter niet toe leiden met breed gebaar hem te passeeren. Door zijn overdrijving heeft hij vaak op realiteiten een overdaad van licht doen vallen, welke anders licht aan de aandacht, niet alleen van den tijd, waarin hij leefde, maar ook van den komenden tijd zouden zijn ontsnapt. Onwillekeurig doet hij denken aan het Paulinische woord: ik word van twee gedrongen. Toch had dat „naar twee zijden heengetrokken worden" een andere beteekenis en ook een andere uitwerking dan bij Paulus. Bij hem geen snijding van verlangen naar Christus en bewustheid van aardsche roeping. Bij hem ook geen berusting en vrede. De polen, waartusschen hij slingerde, hadden een diesseitig karakter. En het effect was: voortdurende zielespanning, steeds verbroken evenwicht, onrust, angst. Hij hield zich voor een genie en toch twijfelde hij er aan, of hij iets geniaals tot stand kon brengen. Hij wil zich geen autoriteit aanmatigen en daarom schreef hij een groot deel van zijn boeken onder een pseudoniem, maar toch liet hij tegelijkertijd onder eigen naam Stichtelijke redenen verschijnen. Hij wil zichzelf geën waatheidsgetuige, geen Christen noemen, maar geeselt toch het officieele Christendom van zijn dagen op onbarmhartige wijze en maakt uit wat het ware Christendom is. Met Hegel als leidenden filosoof uitgegaan, wilde hij niet met hem thuis komen. Evenals Hegel neemt hij aan een these en een antithese, maar de verzoening in een synthese weigert hij. Hij kent niets anders dan disharmonie.

Als zijn voornaamste werken dienen vermeld: Entern-Eller (Of-óf) van Victor Eremita (1843); Frygt og Baeven (Vrees en beven) van Johannes de Silentio (1843); Gjentagelsen (Herhaling) van Constantin Constantius (1843); Begrebet angest (Begrip der angst) van Vigilius Haufniensis (1844); Philosophiske Smuler (Filosofische brokken) van Johannes Climacus, uitgegeven door

S. Kierkegaard (1844); Forord (Voorrede) van Nicolaus Notabene (1844); Stadier paa Livets Vei (Stadiën op den levensweg) van Hilarius Bogbinder (Boekbinder) (1845); Af stuttende uvidenskabelig Efterskrift (Afsluitend onwetenschappelijk naschrift) van Johannes Climacus uitgegeven door S. Kierkegaard (1846); Sygdommen til Doden (Ziekte tot den dood) door Anticlimacus (1849); Indoevelse i Christendom (Oefening in het Christendom) door Anticlimacus (1850).

Zijn meeste — zoo niet alle — geschriften zijn ingegeven door kritiek op heerschende richtingen en. toestanden. Daarom overweegt het antithetische. Men moet bij hem door het negatieve heendringen om - het positieve te vinden. Vandaar, dat zijn werken en zijn gedachten zich moeilijk voor samenvatting leenen. Ook de bewogen, vaak bizarre, maar altijd schitterende vorm, waarin hij zijn denkbeelden giet, staat daarbij in den weg. In dit artikel wordt slechts gewezen op die momenten uii zijn fabelachtig rijke gedachtenwereld, waardoor hij tot op onzen tijd zijn invloed gelden doet.

Daaronder worde eerst genoemd zijn afkeer van het systeem. In zijn Entern-Eller achtervolgt hij in het Aestheticisme van de Romantiek ook de Hegeliaansche filosofie, welke voor hem ten nauwste aan elkander verbonden zijn, met zijn ironie. En deze filosofie beschouwt hij ongeveer als „het" systeem. Zijn bezwaren iegen het systeem zijn vooral: dat het begint met een niets; dat het te hulp roept de „mediatie", welke het midden houdt tusschen en de verzoening wil zijn van these en antithese (men denke weer aan Hegel), terwijl er geen midden is; dat het nooii gereed kan komen, omdat het de historie in zich moet opnemen en deze nog altijd groeit. In een later werk dient hij Pontius Pilatus als een persoon van invloed voor de systematiek en hij vraagt: „Begint men met dien grooten denker en wijze, executor Novi Testamenti, Pontius Pilatus, die immers op zijn manier velerlei verdienste heeft ten aanzien van Christendom en filosofie, al heeft hij ook de Mediatie niet uitgevonden, en wacht men voor dat men met hem begint een of ander beslissend geschrift (misschien systeem) af, dat al verscheiden malen ex cathedra is toegelicht, hoe zal men dan ooit beginnen ?" Hij ontkent niet, dat er een „logisch" systeem kan uitgedacht worden, maar wel, dat er een systeem zou kunnen worden gesmeed, waarin begrippen aangaande het „bestaande" worden verwerkt. Een systeem van het „bestaande" heeft God alleen. Zijn voorbeeld is dan ook niet een of ander systematisch filosoof, ofschoon hij zijn relatieve afhankelijkheid van Trendelenburg niet verzwijgt. Maar zijtfj man is Socrates. Hij wil als deze de geestelijke verloskunde toepassen. De leeraar mag voor den leerling niet meer zijn dan de „aanleiding", waardoor deze zichzelf ontdekt. Het systeem echter veracht hij als een „plebejische uitvinding", hij karakteriseert het als een „omnibus", waarvan ieder gebruik kan maken, maar waarin voor de persoonlijkheid geen plaats is.

Hiermee hangt ten nauwste saam zijn agnosticisme. Het komt bij hem niet zoover, dat hij