is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

388

KIESGEMEENTEN IN DENEMARKEN - KIESRECHT

Vooral in de dagen dat het modernisme sterk was, bestond er niet zelden een breede klove tusschen een kerkeraad, die steeds maar zichzelf aanvulde en de gemeente.

Zoo heeft in menige gemeente de verkiezing van een kiescollege de stem der belijders weer doen hooren. En telken male is nog het kiescollege een wapen in den richtingstrijd.

Herhaaldelijk zijn sedert 1867 voorstellen gedaan, hetzij de kiescolleges af te schaffen, hetzij althans het kiezen en beroepen van den predikant geheel aan den kerkeraad over te laten. Het laatst is over deze zaak gehandeld in de Synode van 1919. Doch het met 1 Januari 1919 in werking getreden „reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten" bleef ongewijzigd.

Onder vigueur van dit reglement hebben de gemeenten der Hervormde kerk het laatst in 1921 beslist over de vraag, of zij door het kiescollege hun recht wilden doen uitoefenen, dan wel den kerkeraad wilden machtigen. Sedert dien oefenen in 427 gemeenten de „stemgerechtigden" zelve hun recht uit. Dit is voornamelijk het geval in vele zeer kleine of weinig belijdende leden tellende gemeenten in Friesland, Groningen en Noord-Brabant.

In 522 gemeenten beroept de kerkeraad, en benoemt ouderlingen en diakenen door co-optatie. In 449 gemeenten — tot welke alle groote steden, met uitzondering van Utrecht, en vele kleinere steden behooren — bestaat een kiescollege.

In 1931 zullen de gemeenten zich opnieuw hebben uit te spieken. [ 27.

Kiesgemeenten in Denemarken. Deze kiesgemeenten zijn een soort vrije gemeenten in de staatskerk van Denemarken. Van de ongeveer 3300000 inwoners, die het koninkrijk Denemarken telt, zijn er ongeveer 3200000 Luthersch. De overige ruim 100000 inwoners zijn over andere kerken en enkele secten verdeeld. Ongeveer 22000 Roomschen, 6000 Baptisten, 5000 Joden, 4000 Methodisten, 3000 Irvingianen, 2000 Adventisten, 1100 Gereformeerden, 500 GriekschCatholieken, 13000 godsdiénstloozen en voorts enkele secten.

De hervorming, die er sinds 1520 ingang vond, werkte zoo krachtig door, dat in 1536 onder de regeering van Christiaan III de Roomsche godsdienst werd afgeschaft en de Luthersche godsdienst tot staatsgodsdienst werd verklaard. Bijna geheel de bevolking behoorde sinds tot de officieele Luthersche staatskerk. De Roomschen verloren alle rechten. Alleen de Lutherschen, die den Bijbel, de drie oecumenische symbolen, de Augsburgsche confessie, en den kleinen catechismus van Luther aannamen, genoten vrijheid van godsdienst, behalve de gezanten van vreemde mogendheden, voor wie een uitzondering werd gemaakt. Deze bepaling, die in de grondwet van 1683 werd vastgelegd, bleef officieel gelden tot 1849, al werd in de practijk menigmaal aan Roomschen, Gereformeerden en Joden vrijheid van godsdienst gelaten.

Tegen dien officieelen staatsdwang bond Nicolai Frederik Swerin Grundtvig, 1783—1872, de profeet van het Noorden, den strijd aan. Hij streed voor de vrijheid der kerk. De volkskerk

moest vrij zijn van den staat. De geestelijke opwekking, welke onder zijn leiding in het Noorden plaats had, beoogde een nationale volksopvoeding in Christelijken geest. Niet alleen in Denemarken, maar ook in Noorwegen had hij grooten invloed. Reeds in 1842 werd ieder vrijgelaten, bij wie hij zijn kinderen tot de confirmatie wilde toelaten. En in de grondwet van 1849 werd niet alleen volledige godsdienstvrijheid, maar ook vrijheid van godsdienstoefening afgekondigd : „De burgers hebben het recht zich in gemeenschap te verbinden om God op die wijze te vereeren als met hunne overtuiging overeenkomt ; alleen mag er niet geleerd of ondernomen worden, wat met de zedelijkheid of de openbare orde strijdt. Niemand is verplicht persoonlijk tot het onderhoud van een anderen godsdienst dan den zijnen bij te dragen; echter zal ieder, die niet kan bewijzen, dat hij lid is van een hier te lande erkende geloofsgemeente, de belasting voor het schoolwezen moeten betalen, die de volkskerk wettelijk bevoegd is te heffen. Niemand kan wegens zijn geloofsbelijdenis van het volle genot, zijner burgerlijke en staatkundige rechten worden uitgesloten of zich aan de vervulling van eenigen algemeenen burgerlijken plicht onttrekken". Paragr. 76, 77, 79.

Wel is de Evangelisch-Luthersche kerk tot nu toe de Deensche volkskerk gebleven, maar toch werkte de eenmaal verleende vrijheid door. Reeds in de wet van 4 April 1855 werd aan de gemeenteleden der Luthersche kerk toegestaan, den band met hun kerspel of gemeente te verbreken en zich aan te sluiten bij een prediker van een ander kerspel. Bij koninklijk besluit van 2 October 1862 en bij de wet van 25 Maart 1872 ontvingen zij voorts nog het recht om de kerkelijke handelingen door den prediker bij wien zij zich hadden aangesloten, te doen verrichten in hun eigen plaatselijke kerk, waarvan zij zich hadden afgescheiden. Nog vrijer werd de beweging toen in de wet van 15 Mei 1868 en 7 Juni 1873 aan twintig familiën uit een of meer parochiën onder zekere voorwaarden werd toegestaan een zelfstandige gemeente te vormen en op eigen kosten een predikant te beroepen. Deze vrije gemeenten werden kiesgemeenten genoemd. Zij bleven tot de volkskerk behooren en waren aan het toezicht van den proost en den bisschop onderworpen. De door de gemeente gekozen predikant werd in de volkskerk geordend en de keuze door den koning bekrachtigd. De handelingen van deze predikanten hebben dezelfde kracht als van de andere predikers. Behalve deze zijn er ook nog enkele vrije gemeenten, die zonder koninklijke erkenning tot stand zijn gekomen, maar aan de kerkelijke handeling van haar predikanten is geen burger-; rechtelijk gevolg verbonden. [ 11.

Kiesrecht. Men onderscheidt actief en passief kiesrecht, het recht om te kiezen en om gekozen te worden. Art. 81 der Grondwet geeft het actief kiesrecht voor de Tweede Kamer aan de „ingezetenen, tevens Nederlanders of door de wet als Nederlandsche onderdanen erkend, die den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie-en-twintig jaren mag zijn, hebben bereikt."