is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KIESRECHT

389

De uitoefening van het kiesrecht kan worden geschorst voor de militairen bij de zee- en de landmacht voor den tijd, gedurende welken zij zich onder de wapenen bevinden.

Van de uitoefening van het kiesrecht zijn uitgesloten zij, wien dat recht bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is ontzegd; zij, die rechtens van hunne vrijheid zijn beroofd; zij, die krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens krankzinnigheid of zwakheid van vermogens, de beschikking of het beheer over hun goederen hebben verloren en zij, die van de ouderlijke macht of de voogdij over een of meer hunner kinderen ontzet zijn.

Aan bepaalde vonnissen kan tijdelijk of blijvend verlies van kiesrecht worden verbonden.

Dezelfde bepalingen gelden ten opzichte van het kiesrecht van Provinciale Staten en Gemeenteraad. Uitteraard komen daarvoor respectievelijk alleen ingezetenen der provincie en der gemeente in aanmerking. De kieswet bepaalt den voor het actief kiesrecht vereischten leeftijd op 25 jaar.

Wat de wijze van verkiezing betreft, de leden der Tweede Kamer, der Provinciale Staten en van den Gemeenteraad worden „gekozen op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging" (art. 82, 128, 143 Grondwet). In de kieswet, die naar art. 82 Grondwet „alles wat verder het kiesrecht en de wijze van verkiezing betreft" heeft te regelen, is de voorkeur gegeven aan het z.g. lijstenstelsel. De lijsten van candidaten, elk onderteekend door minstens 25 bevoegde kiezers moeten op den dag der candidaatsstelling aan het hoofdbureau van Kamer-, Staten-, raadskieskring of gemeente worden ingeleverd. Voor de verkiezing van de leden der Tweede Kamer is het Rijk verdeeld in 18 kieskringen, voor de kleinere provinciën samenvallende met het provinciaal grondgebied, terwijl de volkrijke zijn verdeeld, en de groote gemeenten Rotterdam, 's-Gravenhage en Amsterdam een kieskring op zichzelf vormen. Voor de verkiezing van de leden der Provinciale Staten is elke provincie verdeeld in kieskringen. Alleen Amsterdam, Rotterdam en 's-Gravenhage zijn èn kamer- èn statenkieskringen; de steden Utrecht en Groningen vormen op zichzelf een statenkieskring. Voor verkiezing van de leden van den Gemeenteraad worden alleen gemeenten met meer dan 20.000 inwoners in 3 kieskringen verdeeld.

De candidatenlijsten van de Tweede Kamer worden openbaar gemaakt door het centraalstembureau te 's-Gravenhage. Binnen 4 dagen kunnen de gemachtigden der onderteekenaars van lijsten uit verschillende kieskringen deze tot een groep verbinden door een schriftelijk bij het centraal stembureau in te leveren verklaring. Deze groep wordt ter bepaling van het aantal zetels als één lijst beschouwd. De stemming die geheim is, wordt binnen 45 dagen na de candidaatsstelling gehouden. Ze geschiedt in iederen kieskring uitsluitend over de in dien kieskring ingeleverde lijsten en de daarop voorkomende candidaten.

Het hoofdstembureau, dat als regel den tweeden dag na de stemming zitting houdt/ verwerkt de gegevens der stembureaux en stelt ten aanzien van iedere lijst vast: 1. het aantal stemmen op

ieder der candidaten uitgebracht, 2. het totale aantal stemmen, op de gezamenlijke candidaten eener lijst uitgebracht. De som wordt het sterncijfer genoemd. Terstond na ontvangst van alle uitkomsten houdt het centraal stembureau zitting tot het vaststellen van den uitslag der verkiezing. De som der stemcijfer»van alle lijsten d.i. het totale aantal uitgebrachte stemmen wordt gedeeld door het aantal te vervullen plaatsen. Zoo wordt de kiesdeeler verkregen. Even zoovele malen als de kiesdeeler begrepen is in het sterncijfer eener lijst, wordt aan die lijst een zetel toegekend. De nog overblijvende plaatsen worden achtereenvolgens naar het z.g. stelsel der grootste overschotten en der grootste gemiddelden toegekend. Ten opzichte van de verkiezingen van Provinciale Staten en Gemeenteraad gelden in hoofdzaak dezelfde regelen.

Wat het passief kiesrecht betreft, om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn, wordt door art. 85 der G. W. vereischt, dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend is, den leeftijd van 30 jaar bereikt heeft, niet van de verkiesbaarheid ontzet is, noch van de uitoefening van het actieve kiesrecht zij uitgesloten krachtens de bovengenoemde regeling. Een uitzondering vormen de gerechtelijk van hun vrijheid beroofden en de tot een vrijheidsstraf veroordeelden die wel verkiesbaar zijn, tenzij ze wegens bedelarij, landlooperij of openbare dronkenschap veroordeeld zijn.

Voor de leden der Eerste Kamer, die „door de leden van de Staten der provinciën op den grondslag van evenredige vertegenwoordiging" gekozen worden, gelden dezelfde vereischten. Om lid der Staten te kunnen wezen moet men Nederlander en ingezetene der provincie zijn, niet bij rechterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen verloren hebben, niet van de verkiesbaarheid zijn ontzet en den leeftijd van 25 jaar bereikt hebben.

Voor het lidmaatschap van den Gemeenteraad wordt vereischt dat men ingezetene der gemeente en 23 jaar is. Overigens als voor de Provinciale Staten.

Uit deze korte samenvatting is o.m. gebleken dat we hier te lande hebben het algemeen individueel kiesrecht van mannen en vrouwen. De vraag, of dit kiesrecht in overeenstemming met het ideaal van ons Protestantsch-Christelijk volksdeel is, moet ontkennend beantwoord worden. Ook wij wenschen medewerking van het volk aan de samenstelling van Staten en Raden. Maar juist bij invoering van het zoogenaamde algemeen stemrecht komt deze medewerking niet tot haar recht. Immers kan in dat stelsel een kiezer alleen zichzelf vertegenwoordigen. Het kiesrecht is hoofdelijk en persoonlijk en blijft beperkt tot hem, die het verkrijgt. Zoo blijft het begrip volk buiten beschouwing. Want individuen, d.w.z. op zichzelf staande personen zonder nadere band of bepaling vormen geen volk, maar alleen, naar het woord van Da Costa „een hoop zielen op een stuk grond".

Daarom hebben Groen, de Savornin Lohman en Kuyper steeds een kiesrecht voorgestaan, dat zich aansloot aan de natuurlijke ontwikkeling van het volk, niet opgevat als een optelsom van